vrijdag 16 december 2011

ONDERGRONDS

Heggenmussen

Op 21 december, de kortste dag van het jaar, wordt het winter en dat is goed te zien in de tuin: er is namelijk veel mínder te zien dan in de andere jaargetijden! Zoals wij ons terugtrekken in onze warmgestookte huizen, zo trekt veel ‘natuur’ zich terug in de grond. Diep genoeg om buiten het bereik van de vorst te blijven. Ook al zou je dat op het eerste gezicht niet zeggen: er zit dus nog steeds leven in de grond, zij het op een laag pitje.

De winterslaap van dieren kenmerkt zich door een zeer trage stofwisseling. Die wordt bereikt door het verlagen van zowel de lichaamstemperatuur als het ademhalingsritme. De energiebehoefte neemt drastisch af en daarmee ook de behoefte aan voedsel. Zo kan de winterslaper soms wel maanden teren op de vetreserves, die met veel eten in de herfst zijn opgebouwd. Juist in dat jaargetijde biedt de natuur een overvloed aan bessen, zaden, paddestoelen en, voor slakken en wormen, afgevallen bladeren.
Omdat we nu niet meer of heel weinig in de tuin werken, valt de afwezigheid van sommige diertjes misschien niet eens op. De slakken bijvoorbeeld, waar we ons de rest van het jaar zo druk over maken, waar zijn die gebleven? Ondanks onze tegenwerking zijn ook zij er in geslaagd een vetreserve op te bouwen en de naaktslakken hebben zich daarmee wel tot één meter diep in de grond teruggetrokken! Met dank aan de tuinier! Huisjesslakken hoeven niet zo diep - hun huis biedt enige bescherming tegen de kou. Ook met al hun vetreserves passen ze nog steeds in de huisjes, waarin ze zich zo ver mogelijk terugtrekken, om vervolgens met een laagje slijm de opening af te sluiten. Het slijm droogt uit en wordt hard; een kleine opening in dit dekseltje zorgt voor de noodzakelijke ventilatie.
Regenwormen kunnen diepe verticale gangen graven, maar leven vrij dicht onder het oppervlak, waar ze hun humushoopjes achterlaten. We krijgen de regenwormen eigenlijk alleen te zien wanneer ze door trillingen tevoorschijn komen. De trillingen kunnen worden veroorzaakt door onze voetstappen, door slimme merels, maar ook door regendruppels. In de winter echter trekken de regenwormen zich dieper in de grond terug voor een winterslaap.

Onze eigen huismier
De hardwerkende mieren moeten hun werklust in de winter helaas bedwingen, omdat de winterkou ze zo bijzonder traag maakt. Met zijn allen verschuilen ze zich onder de grond, bij hun nest. Ook bosmieren doen dat, maar omdat de groene specht op de hoogte is van deze gewoonte en leeft van bosmieren, krijgen ze het daar zwaar te verduren. Voor de specht is het ‘gefundenes Fressen’, waar hij gretig gebruik van maakt. Na de winter zijn er echter altijd genoeg mieren over om het nest te herstellen en het volk weer op sterkte te brengen. Voor de volgende winter, zullen we maar zeggen.
Hommelkoninginnen generen zich er ook niet voor om in de grond te overwinteren. Maar dan wel solitair en ook nog op een ‘vorstvrij’ plekje! Pas als de buitentemperatuur is opgelopen tot boven 6° Celsius treden de hommelkoninginnen weer naar buiten.

Struiksprinkhaan
Sprinkhanen leven in hun volwassen stadium waarschijnlijk maar een maand. In die ene maand legt het wijfje haar eitjes voor een nieuwe generatie: in de grond. Daar overwinteren de eitjes tot de temperatuur oploopt en komen de ‘nimfen’ uit. Na zes vervellingen zijn ze volwassen. In sommige landen worden ze gebakken of gefrituurd en opgegeten: eiwitrijk voedsel voor de mens. Maar hier dus niet vers verkrijgbaar, met Kerstmis!
In de grond, maar ook onder een stapel bladeren of verstopt in het gras, overwinteren de rupsen van dagvlinders. Voor de zekerheid maar even niet over het gras lopen. Bij vorst en sneeuw is dat ook voor het gras beter.
Onze huis- en bosmuizen redden zich wel in de winter. Vooral van de huismuizen begrijp ik dat: in huis hoeft niet gebibberd te worden. Zelfs in garages kunnen ze goed overwinteren, zoals blijkt uit de tientallen muizenpoepjes die daar bij de voorjaarsschoonmaak worden aangetroffen! Voor slaapmuizen ligt dat anders. Tot de familie van de slaapmuizen horen onder andere de bosslaapmuis, de hazelmuis, de eikelmuis en de relmuis. Vooral die laatste twee kunnen we wel een paar maandjes missen: laat ze maar lekker slapen, ondergronds.
Wie nog mollen wil gaan vangen, moet wel heel diep graven of toch maar wachten tot het lente wordt en de mol ontwaakt uit zijn winterslaap: in het begin van de winter al trekt dit diertje zich terug in diepere, vorstvrije, lagen aarde.

Eerlijk gezegd was ik me tot nu niet bewust van zóveel levende beestjes onder de grond en dan ook nog in de winter! Wél natuurlijk van het levende bolgoed, want dat stoppen we zelf onder de grond. Hoe redden de bollen zich eigenlijk, in barre winterse omstandigheden?

Bollen zijn ware kunstwerkjes. Wanneer wij ze in het najaar poten, is de bloemknop al aanwezig. Maar ook heeft de bol alles in zich om deze knop te beschermen, te voeden en te laten groeien. Een tulpenbol bijvoorbeeld heeft rond de bloemknop vlezige bladeren, zoals we die ook bij uien zien, waarin voedsel is opgeslagen en ook een beetje water. Hoge concentraties voedselmoleculen helpen als een soort antivriesmiddel vorstschade te voorkomen. De bodem van de bol is de stengel waar de wortels uit groeien. Daarnaast ontwikkelen zich daar ook ‘adventieve’ wortels: bijwortels. De bovenste wortels zullen zich samentrekken, korter en dikker worden, en zijn in staat om de bol dieper de grond in te trekken, naar een geschikte plek.

Ook al zien we het niet, er is genoeg te beleven in de tuin: ondergronds!


December 2011

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen