vrijdag 7 juni 2013

NATUURLIJKE BEESTJES

Heggenmussen



Wie een tuin heeft, heeft daar ook beestjes. Beeldige, maar vooral echte. We vinden ze leuk, lief, lelijk of lastig, maar nooit lekker - nóg niet, ook niet ludiek (ouderwetse term) en de meeste eigenlijk niet legaal (hedendaagse term). Liefst vatten we deze laatste categorie samen met het woord ‘ongedierte’, waar ‘ongediertebestrijding’ vandaan komt, en graag zouden we er wat aan doen. Tja.

maar de kikker is echt


Een egel van steen ...












Van Dale zegt over de tuin het volgende: ‘... omheind of afgeperkt stuk grond, behorende bij een huis (...), waar bloemen gekweekt of groenten enz. geteeld worden’.
Hoewel wij onze tuin willen zien als een stukje natuur, is hij dat niet. Alles wat we er planten of kweken is zeker géén natuur, want Van Dale definieert ‘natuur’ als: ‘... wat de mens om zich heen ziet en wat beschouwd wordt als nog niet door de mens gewijzigd, het landschap.’ We doen niets anders dan wijzigen, in onze tuin. Maar wat we er zomaar bijkrijgen, zonder  daar extra moeite voor te doen, is het verschijnsel ‘beestjes’. Tóch natuur in onze tuin! Zolang we er maar niets aan doen!

Prachtige rups!
En dat is lastig, in een maakbare samenleving. Altijd en overal zijn we bezig met ingrijpen. En alles wat niet goed gaat is je eigen schuld, want er is voor alles een oplossing of een middel. Natuur, dat kán gewoon niet meer op die vierkante meters. Wat nog wel kan, is zo goed mogelijk omgaan met onze lapjes grond, die ooit aan de natuur toebehoorden.

Worm op weg
De kleinste ‘beestjes’ in de grond zijn de micro-organismen: bacteriën en schimmels. Als we toch íets niet in huis willen hebben, dan zijn die het wel! Maar in de grond zijn ze onmisbaar voor het verteringsproces, waardoor planten voeding uit de grond kunnen opnemen. In dit proces is een belangrijke rol weggelegd voor wormen. Ze ruimen oude blaadjes op door ze in de grond te trekken, waar ze door de micro-organismen verder worden afgebroken. Zelfs de slijmlaag die de worm al kruipend achterlaat, wordt door de bacteriën en schimmels verorberd. Door de ontbinding van al dat plantaardig en dierlijk materiaal wordt humus gevormd. Hoe meer humus, hoe meer micro-organismen, hoe beter de grond. De wormentunneltjes zijn weer goed voor beluchting van de grond en watertoevoer. Onze planten varen daar wél bij. Maar nemen ook evenredig veel voedingsstoffen op. Om dat aan te vullen gebruiken we mest. Kunstmest is gemakkelijk op te brengen en het stinkt niet. Maar er zit ook zout in en dat doodt bacteriën en schimmels. Organische stof in de bodem verbrandt zelfs door kunstmest en daar wordt de grond dus niet beter van. Niet meer doen, die kunstmest. Echte koeienmest, zó van de hoop, is mooi spul om de grond mee te verbeteren. De stank wordt door de wind weggeblazen, maar eerlijk is eerlijk: de verwerking in een volbeplante tuin is lastig. Dan brengen koemestkorrels uitkomst: rondstrooien en licht inharken. Houd je wel aan de voorgeschreven dosis! “Alles waar ‘te’ voor staat is niet goed, behalve tehuis en tevreden!” heb ik vroeger van een leerkracht met gezag geleerd.

Gamma-uiltje
Struiksprinkhaan










In de grond leven ook grotere dieren: mollen. Ze zijn niet zo talrijk als de wormen, maar als ze je tuin omwoelen heb je een probleem. Er zijn veel martelwerktuigen bedacht om deze beestjes naar de eeuwige jachtvelden te helpen, maar het kan ook anders. Hun aanwezigheid blijkt al snel door de molshopen die ze opwerpen. Uitstekende kwaliteit grond overigens: fijn rond de planten strooien. Graaf op de plek van de molshoop een fles of een pot in en het lage fluitende geluid dat de wind daarin maakt, zal de mol verjagen. Bij herhaaldelijk molbezoek kun je antimollenbollen planten: de keizerskroon, Fritillaria imperialis. Deze bollen geven een vossengeur af en verjagen daarmee mollen, maar ook muizen.

Luizen in de meidoorn!
En dan de mieren! Alleen al vanwege hun werklust en hun goed georganiseerde mierenmaatschappij verdienen ze respect. Maar toch! Mijn meidoornboompje heeft nooit meer dan een paar bloementrosjes geproduceerd. Met dank aan de mieren, die ook uitstekende luizenmelkers zijn en er hun luizenboerderij hebben. Het groene-zeep-met-spiritus-middel tegen luizen heeft geen effect gesorteerd; die slag is door de mieren gewonnen. Dus moet ik me nu op de mieren richten, die aan de voet van het boompje in de grond verdwijnen. En daar moet ik rekening houden met micro-organismen. Internet heeft een lange lijst van ervaringsdeskundigen met bestrijdingsmiddelen uit het keukenkastje, zoals een streepje citroenafwasmiddel bij de ingang van het mierennest. Of strooi er kaneel of nootmuskaat. Leg er stukjes ui of een koperen munt. Kost je hooguit vijf eurocent. Als dat allemaal niet helpt, is kokend water een optie. Nog steeds wel milieuvriendelijker dan gif, maar fataal voor de micro-organismen en misschien zelfs mijn meidoorn.
Maar deze  nemen het ervan!


Oeps: deze slak was net even bezig!
















Met een lantaarn te zoeken (!) zijn de slakken, ’s avonds in het donker als je eigenlijk naar bed wilt. Dan kun je beter overdag een dakpan of tegel schuin neerzetten, zo dicht mogelijk bij de bedreigde plant, en hopen dat de slakken zich daar na hun feestmaal terugtrekken voor de afterparty. De volgende ochtend, als je uitgeslapen bent, de feestgangers van de dakpan afplukken en in een emmertje afvoeren naar een plek waar ze geen kwaad kunnen. Langs de slootkant of in een gemeenteplantsoen, met tussen de struiken veel zevenblad, kunnen ze hun gang gaan.

Soms zou je willen dat je ‘natuur’ had in je tuin: wat de mens om zich heen ziet en wat beschouwd wordt als nog niet door de mens gewijzigd. Maar ja.

Juni 2013

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen