vrijdag 11 januari 2013

STAARTMEZEN


In míjn tuin …


... is na het decemberbombardement de rust weergekeerd. Geen fysieke schrikreacties meer, thuis noch tijdens de noodzakelijke boodschappen! Graag en met plezier zou ik een financiële bijdrage leveren aan een professioneel vuurwerk voor het hele dorp! Tradities kun je máken!

Met de rust keerde gelukkig ook het vogelvolk terug in de tuin. Het troepje staartmezen dat hier trouw elke winter een paar maal aanschuift, had zich dit jaar verdubbeld. Tot mijn verrassing zag ik tussen de ‘gewone’ exemplaren, met donkere wenkbrauwstrepen, nu ook spierwitte koppies. Eh ... mannetjes en vrouwtjes? Eerstejaars staartmeesjes? Geen idee. Gelukkig heb ik Hans Dorrestijn in drievoud bij de hand: Dorrestijns Vogelgids (2007), Dorrestijns Natuurgids (2010) en Dudeljo!, uit 2012 alweer.
Het voorwoord  in de Vogelgids begint met een regelrechte lofzang op de Staartmees, die Dorrestijn om z’n levenslust beschouwt als zijn “... absolute tegenhanger”. Slotzin: “Als ik ooit terugkom op aarde, laat ’t dan zijn in de vorm van een Staartmees. Anders hoeft het voor mij niet.” Dat zou mij ook wel lijken: rondfladderen in zo’n vrolijk onbevangen troepje! En kiezen we dan voor een kopje mét of zónder streepjes? Over zónder heeft Dorrestein het niet, maar ik wil best iets te kiezen hebben.

Een staartmeesje van het
westelijke ras
In zijn Natuurgids slaat hij de staartmeesjes even over, maar in ‘Dudeljo’ komen ze terug. Eerst in een fantasieverhaaltje over een door mezen aangevallen mevrouw, waarbij de staartmezen zich natuurlijk afzijdig hielden, en vervolgens, op pagina 83, in Toscane, waar  “... een club van misschien wel tweehonderd staartmezen” Dorrestijns pad kruisten en waar hij ter plekke van opknapte! Tja, wie zou daar níet vrolijk van worden?! Blijft nog altijd de vraag van het witte petje.
Gelukkig hebben we meer vogelboeken op de plank. Misschien niet zo vermakelijk als die van tragikomiek Dorrestijn, maar wel met antwoorden op mijn vragen. ‘Vogels van bos, park en tuin’, Henning Anthon / A.P. & G. den Hoed, uitg. Moussault 1975, brengt uitkomst. De staartmees, Aegithalos caudatus, komt bij ons algemeen voor. Zelf zag ik hem ooit tijdens een Drenthse wandeling bij zijn nestje in een beukenhaag en in de Theetuin van Jacqueline van der Kloet in Weesp. Maar vooral in de winter valt hij op, omdat deze mezen dan in groepsverband rondzwerven. Ze behoren, mét en zonder strepen, tot dezelfde ondersoort: Aegithalos caudatus europeus. Het witte kopje is het noordelijke ras, het gestreepte exemplaar  het westelijke!
Ik hoop ze nog vaak te zien, noord en west: allebei best, in mijn tuin!

Januari 2013

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen