woensdag 8 december 2010

‘OEHOE’ EN ‘ROEKOE’


In míjn tuin …

... is het weer een en al gehip, gefladder en gebungel. Dat is dan weer leuk aan de winter. Met een flinke voorraad vogelvoer kun je al je gevleugelde vriendjes op een paar meter afstand nog eens goed waarnemen. De boomkruiper is er weer. Als ie stil zit, tegen de berk aan, zie je hem gemakkelijk over het grijze lijfje. Maar dat kan hij zich nu niet permitteren, stilzitten, en ijverig kruipt hij langs richeltjes en schorsjes omhoog, op zoek naar verstopte insecten. Staartmezen zag ik en de specht!
Kool- en pimpelmezen zijn er volop. Maar ook vinken, winterkoning en roodborst komen hun maagjes vullen, voor zover spreeuwen en merels ze de ruimte geven.
Met mijn kleinzoon, bijna anderhalf, kijk ik naar het drukke verkeer in de tuin. Hij leunt ontspannen over de rugleuning van de bank en vermaakt zich ook met de ‘vógels’! Zo klein als hij is, kent hij er al wat bij naam. “Kráaie!” roept hij, als twee grote exemplaren stelling nemen in de es. “Goed zo!” moedig ik hem aan. “Wat zeggen de kraaien?” “Kra, kra!” Heel goed, je mag door naar de volgende ronde! Eksters laten zich nu even niet zien, maar die kent hij ook. Als er een troepje mussen in de veldesdoorn landt, roept hij: “Músse!”
OEHOE zegt de uil
Veel van zijn kennis komt uit prentenboekjes. Het onderwerp boerderij is nu favoriet en waarschijnlijk dankzij een geweldig geheugen weet hij daar nu alles van! De boer, de tractor, honden, poezen, de appelboom, de koe, het kalf, het paard, het veulen en natuurlijk ook de geit, het schaap en het lammetje: hij onthoudt en benoemt álles. Ook de kool, de wortel, de vlinder en de slak. Dól is hij op ‘aardbei’ en ‘druive’ - we hoeven er nooit naar te raden! En ‘eend’jes voeren, ‘kwak’, is ook altijd leuk: dan eet hij alsnog de korstjes, die hij aan zijn boterham niet lust!
“Poes!” roept hij op de bank. Ja, die eet ook van het vogelvoer. Jammer dat ‘duif’ en ‘uil’ het laten afweten, met hun ‘roekoe’ en ‘oehoe’.
Ja sorry hoor, maar ik ben ook zo trots en blij natuurlijk, met iemand die zo mijn belangstelling deelt! Straks samen naar buiten, in het voorjaar, de ‘bloeme’ benoemen, de ‘aardbei’ watergeven en ... Mijn kleinzoon laat zich van de bank glijden: zijn mama komt eraan. “Auto!” roept hij. “Auto!” Ach ja, ‘broembroem’, met ‘wielen’ die ‘dráaie’: zijn belangstelling reikt verder, veel verder dan mijn ‘tuin’!

December 2010

maandag 15 november 2010

BETONBIJEN (EN RECEPT VOGELVOERHUISJE)

Heggenmussen

Het is weer wintertijd. Iedereen spoedt zich in het donker naar huis (waarom niet het hele jaar zomertijd?!) en alles wat niet leuk is aan ‘weer’ komt samen: kou, wind en regen.

Knautia macedonica
Dan kun je wel een opkikkertje gebruiken. Dat kan iets vloeibaars zijn, maar in mijn geval was het een artikel in de NRC van 23 oktober jl. ‘In bijenparadijs Parijs ...’ stond erboven. Over bijen lezen we de laatste jaren vooral sombere berichten. Ze sterven massaal en voor de bestuiving van onder meer onze voedselgewassen wordt gevreesd. Zo’n opmerkelijke krantenkop is dus meer dan welkom: een positief bericht!

Uit het artikel blijkt dat juist de stad voor bijen een geweldige leefomgeving is geworden. Pesticiden, zoals Round-up, die in de landbouw nog steeds volop worden gebruikt, zijn in Parijs al sinds tien jaar verboden. Maar niet iedereen ziet daarin het verschil tussen de betonbijen, zoals de stadse bijen worden genoemd, en de bijen op het platteland.
Geraniumblad
Prunella, bijenkorfje
Wat in ieder geval wel verschil maakt, is de temperatuur, die in een stad als Parijs drie graden hoger is dan op het platteland en waarmee het vliegseizoen voor de bijen verlengd wordt. En dan de variatie in de beplanting. Waar in de agrarische sector sprake is van een monocultuur (vele hectaren beplant met één gewas en geen veldbloemen meer), met hooguit vijftien soorten nectar- en stuifmeelleveranciers, biedt een stad als Parijs wel tweehonderd soorten.
Bloemen bloeien er het hele jaar en lanen, straten en parken zijn onder andere beplant met kastanjebomen, prunus, linden en de honingboom, Sophora.
Allium
Rudbeckia Goldsturm
De kwaliteit van de Parijse honing is voortreffelijk: lood en dioxine komen er niet in voor. Bovendien produceren de betonbijen tot tien keer meer honing per jaar dan hun collega’s buiten de stad. Voor ‘betonimkers’ gelden wel regels. De bijenkasten moeten op minstens 25 meter afstand staan van scholen en ziekenhuizen en er mogen alleen rustige bijenvolken gehouden worden. Bovendien worden in de bijenstal van de Jardin du Luxembourg imkercursussen gegeven, waarvoor ook veel belangstelling is van jongeren. Tot nu zijn imkers vooral vijftigplussers, dus ook dat is een positieve ontwikkeling.
Met zo’n vierhonderd bijenvolken, die onder andere gehouden worden in bijenkasten op het dak van de Opéra, het Grand Palais en bij Louis Vuitton, is Parijs op weg de grootste bijenstad ter wereld te worden.
Maar de concurrentie komt op gang! Op 16 maart van dit jaar is in New York het bijenverbod opgeheven dat bijna twaalf jaar geleden werd ingevoerd uit angst voor bijensteken. Bijen werden gezien als een bedreiging voor het stadsleven. Daar denkt men nu dus anders over. First Lady Michelle Obama, die zich inzet voor de promotie van gezonde voeding, liet daarop op 20 maart een bijenkorf plaatsen bij het Witte Huis en dat zal ongetwijfeld veel Amerikanen inspireren om hetzelfde te doen.
In Brussel zijn ook imkers actief en heeft men de beplanting in de groene zones aangepast aan de regio, heemplanten dus, om ook daar de bijenvolken in stand te houden.

Geranium
Onze eigen hoofdstad, Amsterdam, laat zich niet onbetuigd. In stadsdeel Slotervaart ligt al heel lang het Oude Bijenpark en in stadsdeel Geuzenveld is het Nieuwe Bijenpark aangelegd. Samen beschikken beide parken over honderdtien siertuinen en tweeëntwintig imkertuinen. Ook op Amsterdamse daken worden bijenvolken gehouden en de belangstelling voor een imkercursus neemt hier eveneens toe.
Nog dichter bij huis, in de stad Groningen, houdt men zich ook bezig met ‘betonbijen’. Vorig jaar is daar besloten tot het zaaien van meer nectardragende bloemen, onder andere op braakliggende percelen. Van oorsprong ‘Groningse’ wilde soorten, maar ook gewassen als luzerne, phacelia, koolzaad en incarnaatklaver: bijenlokkers bij uitstek. Ook worden in de stad meer fruitbomen aangeplant en nectarleveranciers als linde en tamme kastanje. De Gemeente Groningen heeft al twee ‘bijenstanden’ en er zal er nog één bijkomen. In een leslokaaltje kunnen ook cursussen en demonstraties gegeven worden.

Geranium
Dat zijn berichten om vrolijk van te worden in sombere tijden! En natuurlijk zijn er veel méér steden in Nederland en elders ter wereld, waar imkers zich al dan niet op het dak met betonbijen bezighouden. Misschien voelen we ons wel aangesproken en zaaien we in het voorjaar ook bijenlokkers. Bijen vliegen niet op geur, maar op kleur. Ze houden vooral van blauw, maar ook van geel, dus daar kan straks vast een aardig hoekje mee ingezaaid worden.

Tot het zover is bekommeren we ons om wat grotere vliegertjes: de vogels die in onze tuinen overwinteren. Op regenachtige dagen valt er heel wat af te knutselen met kinderen en/of kleinkinderen! Hokjes en voederplankjes geven leuk timmer- en schilderwerk en met het voer kan ook heel wat geknutseld worden.

Brei eens een voerzakje van dat groene touw, waarmee we in de 
tuin alles  bij elkaar binden.
Op dikke naalden, nummer 7, is dat zó gepiept. Zet tweeëntwintig steken op en brei vier naalden in ribbels. In de vijfde naald gaatjes breien: twee steken recht, twee steken recht samenbreien, draad om de naald slaan. Herhalen tot het eind van de naald. Dan in steken naar eigen smaak doorbreien tot de gewenste lengte bereikt is. Afkanten, onder- en zijkant sluiten. Haak een koordje en haal dat door de gaatjes heen. Vul het zakje met pinda’s, brood, fruit, kaas en grote zaden of een (zelfgemaakte) vetbol, knoop het dicht en hang het buiten op een goed bereikbare plek voor vogels.
Een sneetje volkoren vinden ze ook lekker, maar dan wél leuk opgediend. Maak deeg met vijfhonderd gram volkorenmeel, tien gram gist, drie deciliter lauw water en vijftig gram boter, zónder zout. Laat het deeg rijzen en rol het uit tot een lap van ongeveer een halve centimeter dik. Snijd er figuren uit (grote boterham, poezenkop, kerstster, hart, letter, blad-, appel- of peervorm) en maak bovenin een gaatje met een satéprikker. Leg de vormen op bakpapier op een bakblik, laat nog twintig minuten narijzen en bak ze een kwartier tot twintig minuten in een op 225ºC voorverwarmde oven. Haal een touwtje door het gaatje en versier er een kaal boompje mee. Dit brood kan ook heel goed worden ingevroren, zodat je de vogels altijd van ‘vers’ brood kunt voorzien.

Ach, het is eigenlijk best gezellig, in de wintertijd. En zó lang duurt het nu ook weer niet. Geniet van het vogelvolk in de tuin en mijmer alvast over het zaaigoed in het voorjaar!

November 2010

woensdag 10 november 2010

HEKJE

In míjn tuin …
... zoek ik naar een onderwerp voor de nieuwe column. Ik ben er in weken niet geweest, drukke bezigheden binnenshuis hebbende, aangevuld met slechtweerperiodes, en dan gaat veel inspiratie verloren. De herfsttijlozen zijn alweer verdwenen en zelfs de herfstcrocussen hebben nu hun beste tijd gehad. Dat gaan we volgend jaar anders doen, mompel ik in mezelf. Tijd inplannen voor mij en mijn tuin! Al piekerend over hoe dat dan moet, ga ik naar binnen, door de garage. En daar leunt mijn onderwerp tegen de muur: het tuinhekje dat we er in het voorjaar hebben neergezet, in afwachting van een nieuwe ‘ophangconstructie’. Ineens schiet het me weer te binnen, dat we daar iets aan zouden doen.
De paal, waar het hek steeds schever aan hing, was verrot en moest vervangen worden. Het is dus gelukt om het hek los te krijgen en weg te zetten, maar de restanten van de paal zijn in het gat achtergebleven, met een emmer eroverheen tegen struikelpartijen. Ja, nu weet ik het weer: we zouden daar een oplossing voor bedenken. En ja, natuurlijk kan mijn tuin ook zónder hek. Maar dit hek wil ik daar terughebben, want voor mij is het bijzonder, met zijn bloemige hartvormen.
Het is nu vijftig jaar geleden dat ik in mijn geboorteplaats bij onze overburen dit hekje openduwde om daar te spelen. Het hek was toen nog nieuw en had een zilverkleur. Maar de overburen verhuisden en daarna kwamen er nog een paar keer nieuwe overburen. Zelf verhuisde ik ook, naar een eigen stek in Groningen. Maar het hekje bleef op zijn plek. Tot zich nieuwe bewoners aandienden, die het niet wilden hebben en het aan mijn vader gaven, die er wel iets in zag, maar nog niet precies wist wát.
Ongeveer in dezelfde periode werd onze tuin hier uitgebreid en ging ik op zoek naar een eenvoudig ‘boerenhekje’, dat de romantische sfeer die ik voor ogen had nog eens zou onderstrepen. Toen ik dit met mijn moeder besprak, vertelde ze van het ‘overburenhekje’; ik mocht het hebben! We haalden het op uit de garage van mijn ouders, waar het zilverig tegen de muur leunde, verfden het zwart en hingen het tussen twee stevige palen: perfect - tot dit voorjaar dus.
Misschien is het wel fijn voor een hekje om eens een tijdje tegen een muur te leunen. Maar volgend voorjaar maak ik er tijd voor, want mijn tuin ... sluit af met een hekje!

November 2010

vrijdag 15 oktober 2010

ASTERS!

Heggenmussen


De asters bloeien en hoe! De regen in augustus heeft ze goed gedaan en zo worden we gecompenseerd voor de afgelopen natte zomer. Met de zon aan een strakblauwe hemel is het een feest om de asters, die nu op hun mooist zijn, buiten te bewonderen.
We kunnen kiezen uit talloze soorten en tinten, van lage bloeiers tot reuzen van bijna twee meter. Wat dat betreft is er een groot verschil met 1934, het jaar waarin de derde, door A.J. Herwig herziene, druk verscheen van ‘Een geheel jaar in den Tuin’. De herfstasters zijn niet opgenomen in de inhoudsopgave en worden bijna terloops genoemd onder de kopjes Bloeitijd Augustus-September (Aster amellus) en Bloeitijd October-November (herfstasters).

Een 'gewone' aster, in knop
 Aan de aster als eenjarige zomerbloem, die nog steeds eigenlijk Calisthephus heet, wordt iets meer aandacht besteed: “In Asters (...) zijn tegenwoordig zooveel rassen, in zooveel tinten en kleuren, dat men er bijna geen weg meer in weet, wat tusschen haakjes zoo erg niet is, omdat, welke men ook kiest, ze altijd mooi zijn.” Dan volgt een kleine opsomming op maat, van Dwergaster (25 à 30 cm) tot Reuzen Hohenzollern die “... zelfs 80 à 90 cM. hoogte bereiken.”
In de Atrium Tuinplanten Encyclopedie, tweede druk, 1991, is Callistephus ook te vinden. Ietwat anders gespeld, maar het zijn nog steeds eenjarige zaai- en zomerasters. De soortbeschrijving eindigt met een opsomming van de ziekten waar deze planten gevoelig voor zijn: verwelkingsziekte, virusziekten, voetrot, wortelrot en luizen. Ik zou er geen moeite voor doen om dat allemaal in de tuin te krijgen. Maar met de vaste astersoorten ligt het anders. Ook al kunnen ze gevoelig zijn voor meeldauw, ik wil tóch nog een keer A.J. Herwig citeren: “... wat tusschen haakjes zoo erg niet is, omdat, welke men ook kiest, ze altijd mooi zijn!” Een extra aanbeveling is hun slakbestendigheid, de aantrekkingskracht die ze uitoefenen op bijen en vlinders en hun wintersilhouet: niet opruimen!
Combinatie met Sedum 'Herbstfreude'

Vrijwel allemaal prefereren ze vochtvasthoudende, goed doorlatende grond in halfschaduw. De hoge soorten kunnen ‘omvalgevoelig’ zijn, maar bind ze vooral niet strak aan; het is herfst - laat ze wuiven in de wind. Bovendien combineren de asters geweldig met andere beschikbare herfstbloeiers, zoals leverkruid (Eupatorium), duizendknoop (Persicaria ‘Firetail’), zilverkaars (Cimicifuga, tegenwoordig Actaea), herfstanemonen, Helianthus ‘Lemon Queen’, late monnikskappen (Aconitum carmichaelii), zonnehoed (Echinacea) en, voor de lagere soorten, Sedum ‘Herbstfreude’. Dahlia’s matchen ook en natuurlijk de eenjarige cosmea’s (Cosmos) en kattensnorren (Cleome). En niet te vergeten: grassen!

Asters op Ewsum, Middelstum
Breng voor inspiratie een bezoek aan de siertuin én de moestuin van Ewsum in Middelstum. Doen! En dan aan de slag in eigen tuin.

Laten we beginnen met een stevige aster voor de achtergrond: Aster umbellatus, met wolken crèmewitte bloempjes in platte schermen. Een ijzersterke plant van maar liefst 180 cm hoog, die bloeit in september-oktober. Mijn favoriet is al sinds jaar en dag Aster laevis ‘Calliope’, officieel een van de mooiste! Zijn lilablauwe bloemen bloeien aan purperen stengels tot een hoogte van 160 cm. Dan wat meer kleur met Aster novae-angliae ‘Septemberrubin’, dieprood, 150 cm, ‘Alma Pötschke, rozerood, 120 cm en ‘Violetta’, dieppurper, 120 cm. Deze laatste steekt mooi af bij Helianthus ‘Lemon Queen’.
Deze asters hebben niet echt grote bloemen. Toch wordt er nog een onderscheid gemaakt met kleinbloemige soorten, zoals Aster pilosus var. demotus, die kleine witte bloemetjes heeft met een geel hartje, 100 cm. Een variant van deze aster, ‘Pink Star’, heeft zachtroze bloemetjes aan wel 150 cm lange stengels.
Aster laevis

Aster cordifolius ‘Little Carlow’ is een bossig groeiende aster, ook 100 cm hoog, met wolken violetblauwe bloempjes. Nóg een bossige aster: A. lateriflorus ‘Horizontalis’, 60 cm en doorbloeiend tot in november met schattige witte bloempjes met rozerode hartjes. Er is ook een variant ‘Lady in Black’ met rozelila bloempjes en donkere blaadjes: mooie combinatie.
Bleekblauw en in de volle zon bloeit Aster ericoides ‘Blue Star’, met zijn 60 cm niet een van de kleinste. Mooi te combineren met Sedum ‘Herbstfreude’, maar ik zou niet teveel ‘Blue Stars’ bij elkaar zetten; dan wordt het misschien wat flets. Ook het paarsblauw van Aster turbinellus, 120 cm hoog, kan het bleekblauw van de ‘Blue Star’ mooi ophalen.
Een kleintje voor de eerste rang is de lilablauwe Aster sedifolius ‘Nanus’ met slechts 30 cm.
Ooit kocht ik Aster ‘Jenny’, puur op het plaatje op het etiket; de plantjes bloeiden nog niet. Een struikastertje van 40 cm, dat in de zon zou bloeien van augustus tot oktober met prachtige volle bloemen in een felle rozerode kleur. Ik keek er echt naar uit. Maar wat weken later zat ik tegen bloemen aan te kijken met de kleur van een lauw afwassopje: beetje wittig. Ze staan nog steeds in mijn tuin, wel 60 cm hoog, onder het motto ‘leven en laten leven’, maar misschien zoek ik er toch een minder prominente plek voor. Onder de naam Aster novi-belgii heb ik later alsnog planten in de gewenste kleur gevonden, die zelfs 100 cm hoog worden: in bloei gekocht.
Maar dan weet je nog niet altijd precies welke soort je in handen hebt en hoe hoog die wel of niet wordt. Toch belangrijk bij vaste planten. Zo werd mijn oog bij de bloemist getroffen door prachtige dieppaarse astertjes. Aster ‘Velvet Blue’ heetten ze. Op de bestellijst vond de bloemist ze terug onder de naam Aster n.b. ‘Velvet Blue’. Nota bene? Niet bekend? Bladerend in een tuinboek ontdekte ik dat het ook hier om novi-belgii moet gaan. Maar zelfs op Internet is het tot nu toe niet gelukt om meer te achterhalen dan dat de plant tussen 80 en 120 cm hoog wordt en bloeit in september-oktober. Dan wacht ik nog even met planten en lees nog wat in ‘Een geheel jaar in den Tuin’, want dat is óók leuk: “Winterwortelen, als Berlicummer, Flakeesche, stomppuntige Groninger, kunnen nu (in mei) met succes gezaaid worden.”
Als de asters alleen nog dienen als wintersilhouet, gaan we op zaadjes uit!

Oktober 2010

zondag 10 oktober 2010

MASTODONTEN


In míjn tuin …

... dwarrelt het nog wel eens voor mijn ogen en niet alleen in de herfst, als de blaadjes vallen. Er valt hier voortdurend van alles.
Ik kon wel een politiek klimaat hebben in mijn tuin, waar de schriele boompjes van weleer zijn uitgegroeid tot ware mastodonten. Hun schaduw strekt zich uit boven nieuwe aanplant, die ruimte, lucht en licht wil hebben. Takken van verschillend pluimage haken in elkaar en verhoudingen zijn zoek - het landschap is veranderd.
Bovendien ben ik zelf al een beetje op weg om een mastodont, een ouwe reus, te worden, dus moet het bezemwerk maar eens wat worden beperkt. Vanaf de vlonder bestudeer ik de mogelijkheden.

krenten
De krentenboom laat best veel vallen, maar die is te leuk en moet dus blijven. 
De berk schudt zich liefst drie keer per jaar uit; katjes in het voorjaar, zaadjes in de zomer en blaadjes in de herfst. Nummer één op de kaplijst, zou ik zeggen. Maar de prunus, tussen krent en berk, komt zéker ook in aanmerking, met zijn verloren gegane vaasvorm (verkeerd geplant, mijn schuld), zijn ordinaire plakkerige roze bloemproppen (veel te veel) en zijn grote stugge bladeren, die zo slecht verteren en per stuk opgeraapt moeten worden.

 
prunus; wel bloemen, geen pruimen 
Dan staat er nog een Zweedse meelbes, die zijn naam niet meeheeft en verder eigenlijk ook niks. Altijd aangetast blad en anderhalve bes die voortijdig afvalt. Nog een goeie kandidaat is de lijsterbes, die al bezig is dood te gaan. Maar daar hebben we met een trellisscherm een dak omheen geknutseld, waar nu een rambler overheen groeit, dus dat wordt te ingewikkeld.

Ik besluit mijn man, ook al een beetje een mastodont, te betrekken bij mijn overpeinzingen, want hij is tenslotte ‘van de bomen’. Mastodonten kunnen in voorkomende gevallen trouwens heel plotseling een draai van 180º maken, zelfs in principiële zaken. Dat ondervond ik nu ook! Mijn eigen mastodont erkende dat de bomen ons boven het hoofd groeien en zette de zaag in de meelbes! Daar sijpelde het licht de tuin in! Er mocht ook nog een flinke tak van de berk af en eigenhandig ontnam ik de prunus een paar lange zwiepers. Daar schrok mijn man eerst wel van, maar toen we de lelijke proppenboom wat later met vereende krachten hadden ontmanteld, stroomde het licht naar binnen.
Het dwarrelt een stúk minder nu, in onze mastodontentuin.

Oktober 2010

maandag 20 september 2010

PLASSEN IN DE TUIN

Heggenmussen


Dat was toch wel een natte zomer, in augustus. En wat doe je dan, als je in de tuin niet aan de slag kunt? Bladeren in een stapeltje tuintijdschriften, waar je soms bijzondere wetenswaardigheidjes tegenkomt, zoals in het vakantiebewaarnummer van Home and Garden.
Onder het kopje ‘Opmerkelijk’, en dat is het zéker,  staat daarin een foto van een mooie donkergroene gieter, afgewerkt met een comfortabele brede rand in de vorm van een hart. Ervoor ligt een bijbehorend deksel: ook in hartvorm en rood. Echt een hebbeding voor de tuin! Maar in de beschrijving blijkt de fraaie gieter nóg een functie te hebben: je kunt hem ook als po gebruiken. Voor ons is het misschien even wennen aan het idee, maar urine is al sinds eeuwen bekend als een eersteklas meststof. Het is weliswaar zout, maar verdund met (regen)water wordt het tot ‘vloeibaar goud’ voor je planten! ‘The Towa’, een Zweeds ontwerp, is voor € 37,- via Internet te bestellen. Zoals gezegd: het is nog even wennen.
In ‘Gardeners’ World’, vrijdagavond BBC 2, is al iemand over de streep. Presentator Toby Buckland verscheen er naast een rijtje compostbakken. Het was tijd om de compost om te zetten en dus schepte hij de inhoud per bak over in een naastgelegen bak. Vervolgens verklaarde hij glimlachend dat aan compost ook vocht toegevoegd moet worden en met een brede grijns tilde hij een wit containertje in beeld, dat een beetje geel doorschemerde. “Urine!”, verklaarde Toby olijk in de camera en voegde daar al gietend nog aan toe: “And fresh is the best!” Einde van het compost-item! Het was een regelrechte uitdaging: wie doet me dit na! Tja, er is waarschijnlijk veel voor te zeggen, plassen in de tuin, maar ik aarzel nog.
Al vijfentwintig jaar wordt er onderzoek gedaan naar deze gebruiksmogelijkheid van urine. Alle waardevolle stoffen die er in voorkomen, zoals stikstof, kalk en fosfor, verdwijnen onbenut in het riool en moeten ten koste van grote bedragen weer uit het rioolwater gefilterd worden. Daarnaast zijn grote bedragen nodig voor het produceren van kunstmest. Zo bezien zijn we raar bezig. En niemand van ons heeft moeite met het verspreiden van koeienmest in de tuin, of dat nou naturel is of in korrelvorm. Integendeel: we zijn overtuigd van het nut van een natuurlijke bemesting van de tuin en graag ontzien wij het milieu. Het bemesten met eigen urine wordt overigens afgeraden bij gebruik van allopathische (ofwel niet-homeopatische) geneesmiddelen en ‘de pil’ in verband met daarin voorkomende hormonen.
Op Internet vind je interessante verhalen over praktische toepassingen van urine. Bij sommige Inuit-stammen was het vroeger gebruikelijk om na het eten een pan rond te laten gaan, waar ieder naar behoefte zijn plas in kon doen. In dit warme ‘water’ werd vervolgens de afwas gedaan. Dus waar hébben we het over! Maar ik zal het onderwerp nu laten rusten - dan kan het bezinken, dit plassen in de tuin, want er is nog meer tussen hemel en aarde.


Regenwater bijvoorbeeld, ook goed voor plassen in de tuin. En in ernstiger gevallen voor overstromingen. Een gewaarschuwd mens telt voor twee, dus laten we proberen iets te doen om mogelijke wateroverlast in de toekomst zoveel mogelijk te beperken.
Over een dichte bestrating vindt het regenwater snel zijn weg naar de putten in de straat. Ook het water dat zich verzamelt in de dakgoten raast via de regenpijpen regelrecht naar het riool. Wanneer dat de aanvoer van water niet meer snel genoeg kan verwerken, krijgen we te maken met ondergelopen straten en vervolgens ondergelopen huizen. Wanneer we het grondoppervlak in onze tuinen vergroten of ruimte openlaten tussen de tegels van de bestrating, kan het water ook wegzakken in de grond en hoeft het niet allemaal tegelijk afgevoerd te worden via het riool. Nu staat onze Groningse klei niet bekend om zijn doorlatendheid, maar met het regelmatig doorspitten met compost is daar wel verbetering in aan te brengen. Ook kan de drainage verbeterd worden door met een grondboor diepe gaten te maken en die te vullen met grind.
Met het plaatsen van een of meer regentonnen kunnen per jaar honderden liters water worden opgevangen, die in droge perioden te gebruiken zijn voor dorstige planten, maar ook voor het schoonmaken van de groene container, modderlaarzen en zelfs voor het wassen van de auto. Dat scheelt ook weer honderden liters schoon drinkwater.
Er komen steeds meer mogelijkheden op de markt, waarmee je als particulier je steentje kunt bijdragen aan wateropvang. Het varieert van een containertje met een inhoud van een paar liter aan de regenpijp tot regentonnen met een inhoud van honderden liters. Van hout, van kunststof, heel duur, maar ook goedkoop. Er is zelfs een opvouwbare kunststof ‘ton’ te koop met een inhoud van honderdveertig liter voor € 25,- (Bakker Hillegom).
Daarnaast zijn systemen ontwikkeld voor ondergrondse opslag met een capaciteit van duizenden liters, waarbij het regenwater ook binnenshuis te gebruiken is, o.a. voor het doorspoelen van het toilet. Ook bij bestaande huizen kan zo’n systeem toegepast worden.
Misschien moeten we er toch eens over nadenken, over plassen in de tuin!

September 2010

vrijdag 10 september 2010

ROZE WOLK

In míjn tuin …

... stond deze zomer een jonge klimroos op het terras: de ‘Eden Rose’, waar mijn dochter en schoonzoon in Amsterdam al zo lang naar uitkeken. Bij een tuincentrum in Groningen zag ik hem zomaar staan en blij nam ik hem mee. In afwachting van de reis naar Amsterdam gaf ik de roos een ruime pot met een flinke steunstok, waar hij dankbaar gebruik van maakte. We werden beloond met prachtige roze rozen. Dat paste goed bij de roze wolk waar we op zaten, want in Amsterdam werd deze zomer onze kleindochter verwacht!
                                                                                                                               foto: A-M
Toen ik dan ook, al wachtend, in mijn tuin het nieuwe blad van de blauwe druifjes boven de grond zag komen, een teken, zo vlak voor de herfst, dat het leven dóórgaat, ontroerde mij dat meer dan voorheen. Eindelijk kwam het blijde bericht dat ons tweede kleinkind was geboren: een prachtig klein meisje, met lange zwarte haartjes, een kuiltje in haar kinnetje (van haar over-opa?), kleine priegelvingertjes en een geweldige levenslust! Ik raakte niet op haar uitgekeken, deze dochter van mijn dochter, dit teken dat het leven doorgaat.
                                                  foto: A-M
In de wieg
 waar ook haar mama in sliep ...
Ik zie mijn eigen kleine wijffie nog zó voor me: haar babypop onder haar arm geklemd, cowboyhoed op de vlechtjes, speelgoedpistool in de hand en zo achter haar broers aan, om buiten te spelen! Een poppenmoeder is ze nooit geweest, maar dat blijkt geen belemmering te zijn. Resoluut verwijst ze ons naar de badkamer om onze handen te wassen, voor we haar popje van nog geen dag oud mogen aanraken! Dat kan ik mij van vroeger niet herinneren, dat dat moest, maar wat ben ik trots op haar!

Onze schoonzoon trakteert op zorgvuldig uitgezochte chocola met muisjes, licht- en donkerroze macarons en heeft nu al het verschonen onder de knie. Ook voor de jonge vader zijn drukke tijden aangebroken. Hij heeft nog net de vorige week hun Japanse wijnbes teruggesnoeid, maar voorlopig zal er van tuinieren wel niet veel komen. Dát weet ik nog wél, van vroeger, en dat is ook de reden waarom ik de ‘Eden Rose’ in een ruime pot met zo’n hoge steunstok had gezet: daarin houdt ie het nog wel even uit. Bijkomstigheid was wel, dat we de plant niet anders konden vervoeren dan tussen mijn voeten, van Ten Boer naar Amsterdam!
We hopen op een roze rozenwolk, minstens tot in oktober, in die vrolijke Amsterdamse tuin, per heden een gezinstuin!

September 2010

donderdag 15 juli 2010

EEN ZOMER VOL VLINDERS

Heggenmussen

Het is zomer, met bijbehorende temperaturen, en de kans op vlinders in de tuin neemt weer toe! Ze hebben veel noten op hun zang, die vrolijke fladderaars, maar we kunnen onze tuin zonodig wel aanpassen. Het hoeft ook geen vlindertuin te worden zoals die in de dierentuin in Emmen; dat scheelt alweer. Zelf ben ik al heel tevreden met bezoekjes van dagpauwogen, atalanta’s, kleine vossen, blauwtjes, bonte zandoogjes en landkaartjes. Zit er dan ook nog eens een gehakkelde aurelia tussen, dan ben ik in de wolken! En toegegeven: de gamma-vlinder, een overdag vliegende nachtvlinder, vind ik ook heel bijzonder, met op elke vleugel een gouden i-grec!

Gehakkelde Aurelia
Eerst even kort waar de vlinders vandaan komen. Er zijn vier stadia, te weten het ei-, rups-, pop- en vlinderstadium.
In de zomer zetten vlinders eitjes af op planten waar de rupsen, die uit de eitjes gaan komen, een voorkeur voor hebben. Dat zijn de waardplanten. De rupsen van kleine vos, dagpauwoog en gehakkelde aurelia bijvoorbeeld leven op brandnetels, terwijl de rupsen van het boomblauwtje en de citroenvlinder liever het blad van vuilboom en wegedoorn eten.

IJsvogelvlinder
Die van de slamonnik, een nachtvlinder, tja, die eet onze sla op. En de rups van het aardbeidikkopje, dat is niet moeilijk te raden: die houdt van aardbeien. Weer andere soorten vind je op braam, hazelaar, wilg en liguster, maar ook grassen zijn in trek, bijvoorbeeld bij zandoogjes en argusvlinders.
Zodra de rups uit het eitje komt, begint hij te eten. Dat doet hij met zoveel overgave, dat hij wel tot vijf keer uit zijn velletje barst! Maar hij moet wel: de rups is het groeistadium in dit hele proces, wat van een paar weken tot (bij houtboorders) wel een paar jaar kan duren. Zodra hij volgroeid is, wordt er niet meer gegeten en wordt de rups sloom en stijf. Hij zoekt een plekje om in alle rust te verpoppen. Dat kan in de waardplant zijn, maar ook ver daar vandaan. Er zijn rupsen die in de grond verpoppen, andere liggen gewoon op de grond, maar ze kunnen ook ergens vrij aan een takje of een blad hangen. De duur van het popstadium varieert per soort, van enkele dagen tot een paar jaar.

Waarschijnlijk Grote Vos
Maar als het moment van uitkomen dáár is, heeft de vlinder meestal aan een paar seconden genoeg om zich uit de rupsenhuid te bevrijden. Het ontplooien van de vleugels, door lucht en bloed in de aders te pompen, duurt ongeveer tien minuten, waarna de vleugels verharden in een tot zeven uur. Het fladderen kan beginnen en onze toegeeflijkheid in het rups- en vreetstadium wordt beloond met kleurige, ongrijpbare wezentjes, die onze tuinen vervolmaken, niet in de laatste plaats omdat ze ook bijdragen aan de bestuiving van onze planten. Overigens hebben ze maar één doel voor ogen: het vinden van een partner om zich voort te planten - hoe simpel kan het leven zijn, in een tuin. Als daar tenminste aan een paar voorwaarden is voldaan!

Bont Zandoogje
Vlinders houden van een zonnige, maar wel beschutte plek, want ze hebben een hekel aan wind en schaduw. Spuiten met gif is dodelijk: niet (meer) doen dus. Vlinderlevensreddend kan een brandnetelverzameling zijn in een hoekje waar wij zelf niet komen. Verder zullen we de rupsen met hun vraatzucht voor lief moeten nemen; we krijgen er iets voor terug, moet je maar hopen.

En dan is er een scala aan vlinderplanten voor het hele seizoen om uit te kiezen. Het liefst gegroepeerd rond een open plek, zoals een gazon of langs een breed pad, zodat de vlinders overzicht kunnen houden. Maar het moet liefst niet te bont worden, dan raken ze in de war. Over het algemeen gaat de voorkeur uit naar alle tinten roze, van heel licht tot uitgesproken fel paarsroze.
Bruine Beer
De planten waarmee we vlinders naar onze tuin lokken en die veel nectar bevatten, worden drachtplanten genoemd. De nectar mag best diep in de bloem zitten, want vlinders beschikken over een zeer lange roltong. Dat scheelt weer in de concurrentie met bijen, die niet zover kunnen komen.
Is er nog een geschikte plek in de tuin, vul die dan nu met vlinderplanten! Ik noem er een paar, waar vlinders nog deze zomer op af kunnen komen.
Een uitgesproken drachtplant is natuurlijk de vlinderstruik, Buddleja davidii. Deze struik bloeit in de zomer en geurt licht. In het voorjaar diep terugsnoeien.
Een andere aantrekkelijke plant, in de volle zon, is lavendel. Alle soorten en kleuren mogen rekenen op vlinderbezoek. Na de bloei de struikjes licht snoeien en in het voorjaar dieper terugknippen, maar nooit in het oude hout.
Eupatorium (purpureum), koninginne- of leverkruid, is een geweldige attractie voor vlinders in de nazomer! Op vochtige grond anderhalve tot twee meter hoog!
Kogeldistels, de Echinops-soorten, zijn vlinderplanten bij uitstek. Ze bloeien in de late zomer met paarsblauwe ronde bloemhoofdjes en nemen in de volle zon genoegen met arme grond. Vooral Echinops ritro ‘Veitch’s Blue’ is mooi.

Bont Zandoogje, met grote ogen!
Nog wat later bloeien de asters, wel tot in oktober. Hier is een veelvoud aan soorten in kleuren van wit tot purper en in hoogte variërend van dertig centimeter tot anderhalve meter. En allemaal in trek bij vlinders. De Vanessa Atalanta maakt er graag gebruik van. Deze vlindersoort komt elk jaar in april vanuit het Middellandse-Zeegebied naar Midden- en Noord-Europa, maar kan hier niet overwinteren. De meeste sterven hier dan ook door de kou. Maar een deel van de nieuwe generaties Atalanta vliegt terug naar het Zuiden en is zo vlak voor de lange reis blij met de nectar die hier in de nazomer nog te vinden is.
Gammavlinder
Origanum vulgare, wilde marjolein, in de supermarkt in potjes te koop als oregano, is een leuke plant met geurig blad. De nectar voor de vlinders, de blaadjes over onze pasta’s!
En dan is er natuurlijk nog ouwe trouwe Sedum spectabile - die hebben we allemaal al! Laat in de zomer een drukbezocht tankstation voor vlinders.
Steek tot slot in de berm brandnetelplanten uit voor een verloren hoek, voor de eitjes!
Met (een keuze uit) deze planten zijn vlinders een eind geholpen. Maar ze helpen zichzelf ook, o.a. door misleiding, zoals het bont zandoogje op de foto. Met ‘ogen’ op de vleugels kan een vlinder zijn belager afschrikken. Als een vogel toch toehapt, mikt hij op een oog, ervan uitgaand dat hij dan een vitaal deel te pakken zal hebben. Maar het is slechts een hapje van een vleugel en dat kan de vlinder wel missen!
Geniet van de zomer met veel mooie vlinderplanten en heel veel vlinders: een lust voor het oog!

Juli 2010

zaterdag 10 juli 2010

BLINDE VLEK

In míjn tuin …
 
... doet zich soms zomaar het verschijnsel van de blinde vlek voor. Het begint altijd in mijn hoofd. Eerst zijn er wat losse gedachten, zoals in het geval van de vuuresdoorn: ‘lastig hegknippen, half onder die dichte kroon’ en ‘jammer dat de engelwortel met zijn bloemschermen precies in de vuuresdoorn uitkomt’ en ook nog ‘ik kan de vuuresdoorn beter maar aanpassen aan het forsythiaboompje, aan de andere kant van de taxus, want andersom wordt het nooit wat’.
En dan is er op een dag opeens die blinde vlek in mijn hoofd, waarin slechts één gedachte bovenkomt: de vuuresdoorn moet gesnoeid - en flink ook!
Och, dat mooie boompje, met zijn fraai vertakte kroon ... Maar ik denk nergens meer over na en zet de snoeischaar in de eerste tak - nu ik mijn man, die zo verknocht is aan bomen, achter het huis bezig weet! ’t Is even doorzetten, maar dan staat er toch een kale kapstok naast de taxus: wat heb ik nú weer aangericht!
Achter de heg roept mijn buurvrouw en ik loop even om. Haar groene domein is een lust voor het oog - zíj heeft geen last van blinde vlekken en impulsieve sloopacties: geen kapstok te bekennen hier. “Mis je niks?” vraag ik en haar ogen speuren langs de heg. “Eh, nee, ... ik zou het niet weten ...” Geen idee meer, van die groene bol die boven de heg uitkwam! Het is een blinde vlek geworden! Zo gemakkelijk zal ik er bij mijn man, mijn bomenman, wel niet vanaf komen en bezorgd ga ik weer naar huis.
Terwijl ik de stompjes van de vuuresdoorn afspeur op knopjes (geen!) komt mijn man naast me staan en ik houd mijn adem in.

Angelica archangelica,
engelwortel
 “Och! Wat is die engelwortel mooi! Staat ie hier al lang? Wat vreemd, hij was me nog niet opgevallen ...” en opgewekt wandelt hij terug naar de garage. Alle ellende die ik heb aangericht, pal naast de engelwortel: het is ook voor mijn man een blinde vlek geworden! Ik haast me naar de buurvrouw: “Nu moet ik je toch een staaltje vertellen!” Maar ze schiet al in de lach: “Ik heb het gehoord! Hoe is het mogelijk, hè?!”
Inmiddels zijn er weken voorbij gegaan en de vuuresdoorn loopt weer uit. Dus als mijn man dit allemaal leest ... zal hij een groen waas voor zijn ogen krijgen, in mijn blinde vlekkentuin!


Juli 2010

dinsdag 15 juni 2010

TOP TIEN

Heggenmussen

De junimaand is prachtig! Aangename temperaturen, een buitje op zijn tijd en een tuin die tot volle wasdom komt. Wij tuiniers genieten, maar werken ons soms ook een slag in de rondte om alles op tijd te knippen, maaien, bemesten en water te geven. En hoe meer soorten, hoe meer werk. Dus: hoe minder soorten, hoe minder werk! Vanuit dat idee heb ik mijn plantenverzameling nog eens kritisch bekeken. Niet om te zien wat er weg zou kunnen, maar om te zien welke planten ik beslist niet zou willen missen.
Dat resulteerde in een top tien van planten die niet moeilijk zijn in de omgang en waarmee je een tuin gedurende het gehele jaar een prettig aanzien kunt geven.

(1) Snoeivormen in buxus
Voor de wintermaanden forse groepen buxus (1), in hagen, bolvormen of strakke blokken. Deze struikjes kunnen bemest worden met speciale buxusmest, maar gedroogde koemestkorrels voldoen ook. Buxus sempervirens wordt dertig centimeter tot een meter hoog. Vanaf mei kan buxus worden bijgeknipt, in ieder geval vóór de langste dag. Daarna nog een paar keer snoeien om de buxus goed vertakt en in vorm te houden. Doe dat bij voorkeur op een bewolkte dag om zonnebrand te voorkomen.

(2) Bergenia, schoenlappersplant
Het fijne blad van de buxus geeft een mooi contrast met eveneens wintergroene Bergenia (2) (schoenlappersplant). Daar kun je gerust wat vierkante meters mee bedekken. Ze bloeien al vroeg in het voorjaar, maar zijn ook buiten hun bloeiperiode de moeite waard. Onderhoud: verdord blad en uitgebloeide stengels wegknippen.

(3) Persicaria 'Fire 'Tail'
Mooi bij al dat groen is het vrolijke rood van Persicaria (vroeger polygonum) amplexicaule ‘Fire Tail’ (3). Een forse plant met redelijk groot hartvormig blad en hoge bloeistengels (140 centimeter) met rode bloeiaartjes, de hele zomer tot in de herfst. Hoeft niet gesteund te worden en combineert met álles! Toen ik hem cadeau kreeg, wist ik niet waar ik zo’n rode bloeier moest laten. Later heb ik er nog twee bijgekocht, om andere plekken in de tuin mee op te fleuren en ik wil ze nooit meer kwijt! In het voorjaar de oude stengels opruimen, dat is alles.

(4) Linaria purpurea 'Canon J. Went'
Nog meer hoge bloeiaren, die de tuin luchtig en ongecompliceerd houden, zijn die van Linaria purpurea (4), paars, en Linaria p. ‘Canon J. Went’ (rose). Ze trekken bijen en vlinders aan, worden zeker een meter hoog, bloeien de hele zomer (uitgebloeide aartjes even weghalen) en zaaien zich ongegeneerd uit. Overal. Waar ongewenst (ja, wáár eigenlijk?!) kun je de zaailingen gemakkelijk weghalen.

(5) Aquilegia, akelei
In dezelfde categorie hoort ook de akelei, Aquilegia (5).
Het zijn de snoepjes in de tuin! Zoek een paar soortjes uit, krijg er van tuinvrienden nog wat bij en geniet de rest van je leven in mei en juni van de fijnste bloemvormen in tal van kleurschakeringen en laat je verrassen door nieuwe varianten, want ze kruisen zonder blikken of blozen en nooit wordt het je teveel!

(6) Hortensia 'Annabelle'
Voor een levensgroot contrast kies ik ook hortensia: Hydrangea arborescens ‘Annabelle’ (6). Je wordt er al jaren mee doodgegooid, maar dat is dus niet voor niets. Een zeer betrouwbare hortensia, omdat de bloemen bloeien op het nieuwe hout. En dat wordt pas na de winter gevormd (snoeien in maart), zodat de bloemknoppen niet kunnen bevriezen. Met zijn grote witte, later groenwitte, bloembollen prachtig achter een buxushaag of -blok. Een plantensteun of gewoon een simpel touwtje, is aan te bevelen. Van het snoeisel in maart zijn eenvoudig stekken te maken.

(7) Appelbloesem (Groninger Kroon)
En dan natuurlijk een échte appelboom (7)! De pret begint al in het voorjaar met appelbloesem. Daarna zie je de hele zomer de appeltjes groeien en als het buiten koud wordt, bak je binnen appeltaart! Daar hoef ik niets meer aan toe te voegen.

(8) Doorbloeiers!
Op kleinere schaal en sneller valt er ook te genieten van een aardbeienplant (8). Liefst een flinke doordrager! Het zijn vaak kleine dingen waar je gelukkig van wordt en daar hoort een aardbeienplant ook bij. In een hangmand of een hoge pot, zodat ze lekker kunnen bungelen en schoon blijven.
Wat ik ook niet zou willen missen is mijn Clematis viticella ‘Etoile Violette’ (9).

(9) Clematis Étoile Violette
Probleemloos, met in de zomer wólken paarse bloemen - deze clematis laat mij nooit in de steek. Elke week wat vloeibare mest in het groeiseizoen, dat wel, maar dat heb ik graag voor hem over. Ergens in maart knip ik hem af op een hoogte van 30 á 40 centimeter, daarna denk ik een paar weken dat ik hem doodgeknipt heb tot hij als een razende begint te groeien en dan zijn we weer de beste vriendjes. Al jaren!
Tot slot nog een plantje dat zich onbekommerd uitzaait, als je de bloemen er niet op tijd uitknipt: vrouwenmantel, Alchemilla mollis (10). Bijna ordinair, maar onovertroffen! De blaadjes zijn fluwelen kunstwerkjes, met ’s ochtends vroeg paarlen randjes door guttatie: wanneer de worteldruk toeneemt en het blad nog niet voldoende vocht verdampt, wordt er vocht naar buiten geperst, wat in druppels aan de rand van het blad blijft hangen. Dan de bloemen: wolken zacht groengele bloemetjes, die overal bij passen en geknipt kunnen worden voor de vaas, maar ook gedroogd, voor de winter. Mooi in randen en vakken.

(10) Alchemilla mollis, vrouwenmantel
Tot zover mijn tien favorieten. Favoriet omdat ze mooi zijn, makkelijk en gegarandeerd plezier geven! Enne ... per stuk hebben ze bijna allemaal genoeg aan de oppervlakte van één tegel - kunnen er zomaar tien tegels uit!

Juni 2010