vrijdag 10 april 2009

KAPPEN


In míjn tuin …
... sta ik er niet alleen voor. Onzin, vindt mijn man het, dat ik al het zware werk zelf zou moeten doen. “Morgen haal ik de klimop eruit,” belooft hij.
Het gaat om de klimop achter de regenton, die vorig jaar in een storm door de wind werd losgezongen van de muur. (Die uitdrukking wilde ik ook graag eens gebruiken.)
Mijn monnikskappen
Het meeste hadden we al weggeknipt en afgevoerd, maar tussen de hoog bloeiende monnikskappen en rudbeckia’s konden we stronk en wortels niet weg krijgen. Nu komen die planten net boven het maaiveld uit, dus dit is hét moment.
Twee weken later ben ik nog even in de tuin bezig. Over een uur heb ik een afspraak met de kapper. Kan het nog? Welja en ik haal de schop. De klimop moet er nu maar eens uit.
Mijn rudbeckia's
Eerst spit ik de rudbeckia’s op, zodat de wortels van de klimop bereikbaar worden. Daar kijkt mijn man om de hoek: “Dat zou ík toch doen!” “Ja, morgen! Maar dat is twee weken geleden!” “Stop maar!” roept mijn man, “Morgen haal ik hem eruit!” Ondertussen schep ik door: de kapper wacht én de rudbeckia’s. Er zit niets anders op en mijn man haalt zijn jas - de klimop staat op een koude hoek. Daar komt hij aan, met de Grote Bijl! “Weet jij waar mijn laarzen zijn?” “Linksonder in de kast, achter de bak.” Míjn tuinmuiltjes staan voor het instappen, naast de achterdeur, maar zijn laarzen kunnen wel opgeborgen worden, voor die paar keer per jaar dat ze nodig zijn.
Ik deins achteruit als mijn man tenslotte uithaalt met de bijl. Het is duidelijk dat hij nu definitief wil kappen met deze klimop. Hij wrikt de schop er nog eens onder en drukt de steel dan dwars door de monnikskappen heen. “Pas op!” roep ik. “O, dat loopt wel weer uit,” drúk, drúk. Als ik even later op resten klimopwortel wijs, zegt hij precies het omgekeerde: “Dat loopt écht niet meer uit.” Heerlijk, een man die al je zorgen wegneemt! Het lijkt mij maar het beste om in de achtertuin alvast een paar boventallige buxussen op te graven, voor nieuw groen achter de regenton.
Uiteindelijk heb ik nog tien minuten om de buxus te planten, de rudbeckia’s terug te zetten en de boel op te ruimen, voor ik naar de kapper ga. Maar ‘morgen’ is de klimop eindelijk weg!
De kapper kapt mij knap, maar mijn man kapt nog knapper dan de kapper: de klimopstronk in mijn tuin!

April 2009

zondag 15 maart 2009

GRASSEN VOOR DE SIER

Heggenmussen


De verkiezing van dé vaste plant van 2009 is dit jaar groots aangepakt. Niet één plant, maar een hele groep valt de eer te beurt: de siergrassen! Beste planttijd: voorjaar!
KARL FOERSTER
Tot de jaren vijftig van de vorige eeuw werd in tuinen sporadisch gebruik gemaakt van deze grassen. In 1957 schreef de vooraanstaande Duitse kweker prof. dr. Karl Foerster (1874-1970) het boek ‘Einzug der Gräser und Farne (varens) in die Gärten’ en legde daarmee waarschijnlijk de basis voor een ‘nieuwe Duitse tuinstijl’, waarin veel gebruik gemaakt werd van siergrassen. In Nederland verluchtigde Mien Ruys haar borders met siergrassen.
Maar het gros van de tuiniers stond er argwanend tegenover. Saaie planten, vond men, zonder kleurige bloei, die waarschijnlijk binnen de kortste keren de tuin zouden overwoekeren. Meer iets voor de pioniers, zoals de onlangs overleden Henk Gerritsen, die in het landschap de ‘wilde’ planten zagen verdwijnen en daarom in ‘wilde’ tuinen trachtten de natuur vast te houden.
Helaas bleken veel planten eenvoudigweg niet geschikt voor toepassing in de tuin, waar de grond veel vruchtbaarder is dan de schrale weidegrond. Maar de belangstelling voor ‘natuur’ in de tuin was wel gewekt. En dus gingen kwekers op zoek naar planten met een natuurlijke uitstraling, die met succes in onze tuinen konden worden toegepast.
In Duitsland werd het kweken van siergrassen door een leerling van Karl Foerster voortgezet: Ernst Pagels. Ruim vijftig jaar was hij actief (Pagels overleed in 2007) in zijn kwekerij in Leer, waarbij hij, onder andere, meer dan vijftig Miscanthusselecties benaamd heeft.
PIET OUDOLF
In de jaren tachtig begonnen in Hummelo Piet en Anja Oudolf met de ontwikkeling van planten met een wild uiterlijk, die zich echter niet als zodanig gedragen. Bij hun kwekerij legden ze een voorbeeldtuin aan, waar de liefhebbers konden kennismaken met een nieuwe vorm van tuinieren. Trefwoorden: vorm, structuur, licht en beweging. Oudolf was natuurlijk niet als enige verantwoordelijk voor deze stroming, ‘The Dutch Wave’ genoemd, maar is wel één van de meest invloedrijke tuinontwerpers ter wereld. Hij is onder andere de architect van het Battery Park in Manhattan, New York, de herdenkingstuin voor de slachtoffers van 11 september 2001. Samen met Michael King schreef hij in 1996 hét standaardwerk over siergrassen en bamboesoorten (die ook tot de grassen behoren): ‘Prachtig gras, tuinieren met siergrassen en bamboes’. Er volgden meer boeken, maar de grassen komen in elk boek terug. Een bezoek aan deze tuin én kwekerij is een belevenis. Kijk voor meer informatie op de website: www.oudolf.com.
LIANNE’S SIERGRASSEN
Maar heel ver hóeven we niet te gaan, want in De Wilp in Friesland vinden we ‘Lianne’s Siergrassen’, een ontwerp- en adviesbureau met kwekerij en kijktuin. In 2006 is zij door de Koninklijke Vereniging voor Boskoopse Culturen benoemd tot Nederlandse plantencollectiehoudster van siergrassen.
Diamantgras
Dat betekent: een representatief aantal planten, van goede kwaliteit! Lianne kweekt ook zelf siergrassen en heeft daarnaast een kijktuin van 2500 m² waarin meer dan driehonderd verschillende siergrassen zijn aangeplant. Bijvoorbeeld in combinatie met vaste planten als Vernonia, Veronicastrum, Eupatorium (lever- of koninginnekruid), Aster, Sanguisorba (pimpernel), Thalictrum (ruit), Helenium (zonnekruid). Maar er zijn ook borders met uitsluitend siergrassen. Om er eens wat te noemen: Miscanthus (prachtriet), Carex (zegge), Molinia (pijpenstrootje), Briza media (trilgras), Calamagrostis brachytricha (diamantgras), Festuca (zwenkgras), Panicum (vingergras), Pennisetum (lampepoetsersgras), Stipa (vedergras). Informatie over Lianne’s Siergrassen is het makkelijkst te vinden via Google.
BIJ ONS
Ook in bestaande tuinen zijn voldoende toepassingsmogelijkheden voor grassen. Wie zich er in zijn tuin van afgemaakt heeft met een grindbak, krijgt met siergrassen een herkansing om er alsnog iets moois van te maken, zonder veel extra moeite. Want voor de meeste grassen beperkt het onderhoud zich tot af en toe voeding en zo nodig water geven en het na de winter tot vlak boven de grond wegknippen van de afgestorven stengels. Bij de groenblijvende soorten worden dan de dode stengels eruit geplukt. Klaar!
Lage siergrassen kunnen ook toegepast worden als bodembedekker en zelfs op kleur: Festuca glauca (blauw schapegras), Imperata cylindrica ‘Red baron’ (Japans (rood) bloedgras), Luzula nivea (sneeuwwitte veldbies).
Is er al een hoge beplanting, zet er dan eens een hoog siergras tussen. Of begin ergens achter in de border en plant dan in een wijde boog verschillende, in hoogte aflopende siergrassen, tot een paar meter in het gazon. Ook langs water geven (overhangende) grassen een mooi natuurlijk effect.
Zelfs op het terras kan gebruik gemaakt worden van deze vaste plant van het jaar. De meeste siergrassen doen het ook goed in potten, met op tijd voeding en water, en dat kan fraaie combinaties opleveren. Of juist een strakke belijning in één soort. Zo kan een gras ook uitgeprobeerd worden in bestaande beplanting.
Knip siergrassen nooit af vóór de winter. De bescherming van de oude stengels is nodig in koude periodes. Maar wat méér is: berijpt leveren ze een sprookjesachtig tafereel op, een betoverende tuin in de winter!
Een spannende uitverkiezing tot vaste plant, dit jaar. Kies uit talloos veel mogelijkheden en haal de natuur in de tuin!

Maart 2009

dinsdag 10 maart 2009

KLEURTJES


In míjn tuin …
... is het wachten nu op kleur: blauw, paars, geel, rood! Maar het wordt niet zó maar voorjaar. Soms lijkt het er even op, maar dan laat de winter zich toch weer gelden. Hij bezorgt mij een pijnlijke stijve nek. Nee, ik kan nu echt niet stofzuigen en ik installeer mij op de bank voor het raam. Plat.
De zon kriebelt mijn neus en ik doe mijn ogen dicht. Achter glas kun je ook bruin worden. En net als mijn tuin kan ik wel een kleurtje gebruiken. Boven mijn hoofd hoor ik mijn man met de stofzuiger en ik doezel weg op het rustgevende gebrom.
Als ik mijn ogen weer open doe, is de stofzuiger stil en de zon verdwenen. De lucht is loodgrijs; gaat het sneeuwen? Vanuit mijn horizontale positie zou ik dan zwarte sneeuwvlokken te zien krijgen, tegen de grijze lucht. Maar de wolken houden hun vlokjes binnenboord en ik zie een ander contrast. De stammen van onze ruwe berk steken prachtig wit af tegen de loden lucht! Zo heb ik het nog niet eerder gezien. Dit zijn óók kleuren, in mijn tuin. Het is een inspirerend schilderij, tot er een gouden rand in beeld komt die mijn ogen doet knipperen. Ik knijp ze dicht tegen de felle zon en gluur dan door mijn oogharen naar het nieuwe kleurpalet. Zwart zijn nu de stammen voor een flonkerende blauwe hemel. Dit beeld geeft energie en ik kom overeind. Misschien moet ik het stofzuigen beneden toch maar zelf doen, maar dat kan nog wel even wachten.


Hypericum: St. Janskruid of Hertshooi
Over de rugleuning van de bank zie ik een boeiend lichtspel in mijn tuin, die nog niet helemaal ‘aan kant’ is. De dorre blaadjes aan het St. Janskruid worden doorschijnend in het zonlicht en kleuren bijna rood. Z’n zwarte besjes glanzen met levendige lichtvlekjes en ik ben blij dat ze tot nu zijn ontsnapt aan mijn snoeischaar. De taxus slurpt het licht op, maar skimmia en laurier kaatsen het vrolijk terug. De kroezige bloemschermen van hortensia Annabelle laten de zon niet overal toe en vormen een interessante combinatie met de donkergevroren heg erachter. En dan zijn er de typische winter‘bloeiers’, die tot de laatste natte sneeuwvlok standhouden. De viburnum hangt vol met roze propjes en in de bergtheeplantjes fleuren nog de rode bessen, alsof het morgen kerstmis is. Ik zie zelfs iets blauws wapperen: winterviolen!
Kleur is er altijd! Opgewekt haal ik de stofzuiger. En als dát lukt, kan ik ook nog wel even de tuin in!

Maart 2009

zondag 15 februari 2009

ALLES NAAR DE KNOPPEN!

Heggenmussen


Het einde van de winter nadert, hoe dan ook, en we kijken uit naar al het nieuwe blad dat onze tuin zal stofferen tot de volgende herfst.
Blad is van levensbelang voor planten, struiken en bomen. En dat niet alleen omdat soms onervaren tuiniers in de herfst roepen: “Hé, daar zit geen blad meer aan, die struik is dood!”, waarna de ongelukkige in de biobak verdwijnt - ten dode opgeschreven.
Knoppen in de meidoorn
Wie goed kijkt, kan ook al in de winter de nieuwe knopjes zien, waaruit in het voorjaar het nieuwe blad zal groeien. Bladverliezende bomen en struiken leven in de winter dóór, maar zijn wel in rust. In de herfst geeft de afname van de hoeveelheid licht een signaal af en bereidt de plant zich voor op een seizoen met ongunstige omstandigheden. Voedingsstoffen worden uit het blad teruggetrokken in stengels en takken in afwachting van de groeiexplosie in de lente. Daarna wordt het blad afgestoten en de natuurlijke processen worden tot een minimum beperkt. Het gaat nu alleen nog om overleven.
Zodra in de herfst een blad loslaat, wordt het achterblijvende litteken afgesloten met een dun laagje kurk. Dat voorkomt waterverlies en tegelijk is daarmee de open plek beschermd tegen aantasting door zwammen.
Dan wordt ook aan de groeitop van de twijg de eindknop gevormd, binnen elkaar overlappende knopschubben. Zo is de knop niet alleen goed beschermd tegen winterse omstandigheden, maar ook al klaar om te reageren op de eerste tekenen van de lente: meer licht en een hogere temperatuur.
De ideale groeitemperatuur voor planten (en dieren) ligt wereldwijd tussen de 10 en 25 graden Celsius. Zodra de nachten weer korter worden stijgt in planten het sapgehalte, begint nieuw weefsel te groeien en worden hormonen geproduceerd om de regeneratie, het vervangen van verloren gegane organismen, snel te laten verlopen.
FOTOSYNTHESE
In bladeren wordt voedsel aangemaakt en daarom zijn ze zo belangrijk in de natuur. Dit proces heet fotosynthese: de vorming van koolhydraten uit koolzuur en water in groene plantendelen onder invloed van licht.
Het licht is de energiebron en doordat het blad met een steeltje aan de tak of stengel van de plant verbonden is, kan het gedurende de dag met de zon meedraaien om zoveel mogelijk licht op te nemen.
Koolzuur wordt via duizenden huidmondjes in het blad opgenomen uit de atmosfeer en daar dragen wij ook aan bij. Wij ademen zuurstof in en koolzuur uit. Tijdens de fotosynthese geeft de plant zuurstof af en daar mag je uit opmaken dat mensen en planten goed bij elkaar passen.
Het benodigde water wordt tijdens het groeiproces van de plant in een ononderbroken stroom aangevoerd vanuit de grond tot in de allerhoogste takken en daar baant het zich via de bladeren een weg naar buiten; 98% van het water verdampt via huidmondjes in het blad.
Waarom zoveel water als het toch bijna helemaal verdampt? Water is ook een transportmiddel voor o.a. uit de grond opgeloste mineralen. En op hete dagen koelt de waterdamp het blad af, doordat bij transpiratie warmte meegenomen wordt uit het blad. (In het Latijn betekent ‘trans’ doorheen en ‘spirare’ ademen.) Maar ook als het niet heet is, transpireert het blad en verliest dus waterdamp, omdat de huidmondjes zich moeten openen om koolzuur op te nemen. Bij een teveel aan transpiratie zou de plant kunnen uitdrogen en daarom zijn bladeren voorzien van een wasachtig laagje, óf ze hebben een matje van fijne zilverkleurige haartjes. Zowel met het waslaagje als met de haartjes wordt een deel van het zonlicht teruggekaatst: dat scheelt aanzienlijk in de temperatuur.
Overigens wordt de omringende buitenlucht door al die transpirerende blaadjes vochtig en koelt daarmee ook af.
'Appelblad'
39.000 HUIDMONDJES
Je zult niet gauw een blad zien hijgen, hoewel er dus flink in- en uitgeademd en getranspireerd wordt. Misschien komt dat wel omdat een blad (één!) over tienduizenden huidmondjes beschikt. Vele mondjes maken licht werk, of zoiets. Een appelboomblad bijvoorbeeld heeft per vierkante centimeter de beschikking over zo’n 39.000 huidmondjes! Die zitten heel slim voor het merendeel aan de onderkant van het blad, zodat ze niet door stof verstopt raken.
De mondjes kunnen niet alleen open, maar ook dicht. Ze sluiten zich vooral ’s nachts, wanneer het donker is en er dus geen fotosynthese kan plaatsvinden, waar licht voor nodig is. Er verdampt dan geen water. Maar omdat een tekort aan water uiteindelijk bedreigender is (verwelking) dan een tekort aan voedsel, zullen de huidmondjes zich overdag bij harde wind, als het droog en heet is of bij een teruglopende aanvoer van water uit de grond óók sluiten. Want de voortdurende stroom van water mag in een plant niet onderbroken worden. Verplanting is dan ook een traumatische ervaring, die zo snel mogelijk verholpen moet worden. Dat is precies de reden waarom pas verplante planten direct veel water moeten hebben. Snijbloemen beleven dit trauma ook en het is dan ook het beste om ónder water een stukje van de stengels af te snijden en ze dan direct in een vaas met water te zetten.
Tot slot nog weer even een lofzang op planten. De prestaties van bladeren zijn indrukwekkend, maar daar blijft het niet bij. Planten verbeteren de omgeving niet alleen door het afkoelen en bevochtigen van de lucht met hun waterdamp. Hun wortels stabiliseren de grond en gaan bodemerosie (landslijtage) tegen. Gebladerte geeft schaduw, zuivert de lucht, bindt fijne stofdeeltjes, breekt de wind en verrijkt in de herfst de bodem door het verteringsproces van afgevallen blad. En voor mensen is het nog leuk om naar te kijken ook, planten. Alleen al de verscheidenheid aan bladvormen: (o.a.) enkelvoudig, samengesteld, driehoekig, eirond, pijlvormig. En dan nog de randjes: (o.a.) gegolfd, gekarteld, gezaagd, dubbel gezaagd, gaaf, enzovoorts! Voor het functioneren van het blad maakt het geen verschil; die verscheidenheid is er puur voor ons genoegen.

Het is langer licht en de sapstroom komt op gang: naar de allerhoogste takken. Vanaf nú gaat álles naar de knoppen!

Februari 2009

dinsdag 10 februari 2009

WACHTEN


In míjn tuin …
... was ik het liefst op 2 januari begonnen met het kort en klein knippen van dorre stengels, het lekker losmaken van de grond en het plukken van een ruikertje sneeuwklokjes. Maar nee, het land werd geregeerd door een vorst in de grond en het vroor dat het kraakte.
Ik had het kunnen weten: de statistieken en niet te vergeten het langjarig gemiddelde waren hier gewoon aan toe - een simpele rekensom! Het ganse volk liep uit en schaatste dat het kraakte. In de Volkskrant columneerde Max Pam over de klungeligheid waarmee wij Nederlanders ons overal ter wereld in de ruige natuur storten: volkomen onbevangen het ongeluk tegemoet! Ambulances tekort om alle slachtoffers van de schaatspret naar de ziekenhuizen af te voeren.
Na het kerstreces verscheen Eimert van Middelkoop, verdwaald tot minister van defensie, dan ook met een gehavend hoofd op de televisie, zijn schietarm in het gips. Hij was wezen schaatsen. Ik bleef nog even wachten op die twee tekstjes naast zijn hoofd,
geschikt, ongeschikt, want ik wist al dat hier ‘ongeschikt’ aangevinkt moest worden! Maar dat is de spot van onze landmacht en ik bleek naar het Journaal te kijken. Dan maar doorzappen naar FAN, waar regelmatig tuinprogramma’s te zien zijn, zodat er in ieder geval passief getuinierd kan worden.
Ondertussen maakte ik mij zorgen over de druif die nog steeds niet gesnoeid was. Voor je het weet komt de sapstroom op gang en dan is het te laat. Zo tobbend liep ik in de boekwinkel tegen de nieuwe Romke van de Kaa aan: ‘Alles kan wachten’! Die titel, dat was precies wat ik nu nodig had! Ter plekke las ik al dat het zo’n vaart niet loopt met dat doodbloeden van de druif én ik zag een lange rij van aansprekende, dwarsige titels als ‘Kattenpis’, ‘Bruine vingers’, ‘Onherstelbare fouten’, ‘Groninger tulpen’, ‘Gele composieten’ en ‘Bleekpotten’, om er een paar te noemen. Met dit boek zou ik mijn winterblues verdrijven!
Maar helaas! Met het lezen van de aanstekelijke verhalen van Romke van de Kaa nam mijn verlangen naar de tuin alleen maar toe en hoewel er kans bleef op vorst snoeide ik de volgende dag mijn druif. Dáár knapt een mens van op! Alles kan wachten ... maar ík niet. Ik loop lekker uit nu, net als mijn tuin!

Februari 2009

donderdag 15 januari 2009

OPBLAASVOGELTJES EN ANDERE TRUCJES

Heggenmussen


Geheel tegen de verwachting in werd het winter, rond de jaarwisseling. We vatten kou en op zolder zwoegde de verwarmingsketel om het huis per uur een graadje warmer te krijgen. Het woord ‘Elfstedentocht’ viel en of het niet leuk zou zijn, er dit jaar weer eens een te rijden, precies honderd jaar na de eerste.
Kleumerig kijk ik naar buiten, waar de sneeuwklokjes halverwege hun groeispurt door de kou bevangen zijn.
ISOLATIE
De vogels die hier overwinteren, zien eruit alsof ze net het ouderlijk nest verlaten hebben: gezellige dikke donsballetjes fourageren tussen de bevroren blaadjes op de grond en op de voedertafel - opblaasvogeltjes, met bomberjackjes aan!
De lichaamstemperatuur van vogels is 41ºC. Ook in de winter moet die temperatuur gehandhaafd blijven en daar moeten ze veel voor doen. Een goede isolatie is van levensbelang en dat bereiken ze door zichzelf ‘op te blazen’; ze zetten hun veren op zodat er zoveel mogelijk lucht vastgehouden kan worden. De veren moeten daarvoor wel in optimale conditie zijn. Met duizenden weerhaakjes grijpen ze in elkaar tot een lucht- én waterdicht pak. Vogels besteden dan ook veel tijd aan het invetten en oppoetsen van het verenkleed.

Een vink op de rand van het bad
Het ritueel begint bij voorkeur met een bad, ook in de winter. (Tenzij het hard vriest.) Daarmee worden stof en teveel vet weggespoeld. Na het bad zoekt de vogel een veilig plekje op, om de veren nog eens lekker uit te schudden en met behulp van luchtcirculatie (door de veren op te zetten) goed te laten drogen. Daarna is het tijd voor een zorgvuldige poetsbeurt.
Dat doen ze vooral met hun snavel, veer voor veer. Bij de stuit hebben ze een vetklier, waar ze af en toe met de snavel op drukken. Zo kunnen ze een dun laagje vet over de veren verdelen. Hun kop bewerken ze met een pootje; dat wordt voor de snavel wat lastig. Behalve isolerend en waterafstotend werkt het vet ook desinfecterend: het doodt schimmels en bacteriën.
BIJVOEREN
Maar met een goede conditie van het verenpak zijn ze er nog niet. Er is ook veel voedsel nodig om warm te blijven. Hoe kleiner de vogel, hoe groter de inspanning. Vogeltjes als winterkoninkjes, roodborstjes en mezen, met een lichaamsgewicht van negen tot vijftien gram, verliezen in een koude nacht maar liefst 10 tot 25% van hun lichaamsgewicht.

Dat moet de volgende dag aangevuld worden en er zal ook voedsel bij moeten voor de ‘levensenergie’ van die dag. Het insectenaanbod is minimaal nu en moet diep uit boombasten en muurspleetjes gehaald worden.
Een bladluis weegt vijfendertig milligram en daar heeft een roodborst die vijftien gram weegt en ’s nachts drie gram verliest, er dus zo’n vijfentachtig van nodig! Bijvoeren is noodzakelijk, willen we in het voorjaar profiteren van vogelhulp bij het bestrijden van schadelijke insecten. Voor insecteneters zijn in dierenwinkels speciaal gefokte meelwormen te koop. Maar ook zogenaamd universeelvoer bevat dierlijke eiwitten. Er zijn ook insecteneters, zoals mezen, die in de winter overschakelen naar een vegetarisch menu. Dat kan bestaan uit appels, geraspte kaas, granen en zaden, havermout, een (zoutloos) in de schil gekookte aardappel, (zoutloos) gekookte pasta en wat er al niet te krijgen is aan kant-en-klaar vogelvoer.
Overnachten in een nestkast helpt natuurlijk enorm bij het besparen op de vetreserves. Zelfs bladverliezende struiken hebben zó’n remmende werking op de wind, dat vogels die daarin overnachten wel een derde besparen op hun gewichtsverlies!
Ondanks alles zullen veel vogels het toch niet redden, maar dat wordt gecompenseerd in het nieuwe broedseizoen: door de overblijvers, met de beste conditie.
PLANTAARDIGE OVERLEVERS
Hoe redt het plantaardige deel in onze tuin zich eigenlijk? Fourageren in de buurt is er niet bij, opblazen voor een betere isolatie ook niet, laat staan een trektocht naar het warme Afrika! Wij vinden het zo vanzelfsprekend, dat bomen, struiken en planten onze winters overleven. Maar als je er even over nadenkt, is het natuurlijk heel bijzonder, dat dit plantaardig leven bestand is tegen zoveel tegenstellingen als koude, hitte, droogte, regen, lange, maar ook korte dagen. Ik heb er het boek ‘Wetenschap in de tuin - botanica voor de amateur’ van Brian Capon eens op nageslagen. Geen boek om genoeglijk in één keer uit te lezen, maar op onderdelen fascinerend. Capon doceerde o.a. dertig jaar plantkunde aan de California State University in Los Angeles.
De planten die wij in onze tuin zo gewoon vinden, zijn het resultaat van een ontwikkeling van miljoenen jaren. Ze komen voort uit soorten die ijstijden overleefd hebben en ooit in staat bleken zich aan te passen aan noordelijke streken. Door genetische variatie (elke plant heeft zijn eigen pakketje aan genetisch materiaal) kwamen sommige planten los te staan van de groep waar ze oorspronkelijk toe behoorden, waarna ze zich ‘zelfstandig’ tot nieuwe soorten ontwikkelden. Uiteindelijk heeft dat geleid tot een gigantische soortenrijkdom over de hele wereld én per klimaatgebied.
Krentenboom in de winter
Duizenden jaren lang was er de regelmaat van veranderende daglengten en de veranderende positie van de zon. De planten hebben zich aangepast en nu zijn deze fenomenen (daglengte en zon) externe signalen om inwendige processen op gang te brengen. Zo hebben botanici ontdekt, dat verschillende belangrijke processen juist tijdens de ‘winterslaap’ plaatsvinden. Slapende knoppen blijken een koude periode nodig te hebben om in de lente te kunnen ontwaken. Capon geeft als voorbeeld appels, die duizend tot veertienhonderd uren nodig hebben met een temperatuur van ongeveer 7ºC. Om op het juiste moment uit de winterslaap te komen (zodat nieuwe bladeren en bloemen niet bevriezen) is ook een periode nodig met langere daglengten dan in de winter. Veel soorten met een winterslaap produceren bloemen vóór het blad, die zo goed zichtbaar zijn voor bestuivende insecten. Dit zie je ook bij bloembollen. Tulpenbollen bezitten in de herfst al een eerste aanleg van bloemknoppen. Maar er is gedurende dertien tot veertien weken een temperatuur tot 10ºC nodig voor de bloemen zich volledig kunnen ontwikkelen. Warmere temperaturen zorgen tenslotte voor de ontwikkeling van blad en stengels en het opengaan van de bloemen.

Allemaal trucjes van de natuur! Maar als je het weet, helpt het om iets te begrijpen van het hoe en waarom in de winter, mét of zonder Elfstedentocht!

Januari 2009

zaterdag 10 januari 2009

VAN ALLES TE DOEN

In míjn tuin …
 
... was er van alles te doen de afgelopen maand, in de wintertuin ‘in rust’. Het klapstuk viel al op 7 december toen de brievenbus ontplofte door vuurwerk. Jawel, ik ben ook jong geweest, maar dat kan ook zonder rotjes. Afschaffen die handel! Het is nu tóch crisis; dit ‘verlies’ kan er ook nog wel bij. Met professioneel vuurwerk is trouwens veel te winnen! Enfin, wij grabbelden de brokstukken van de straat en uit de tuin - het slotje was nog heel. Dat kunnen we mooi gebruiken bij de bus die onze meelevende buurman nog voor ons over had. Die bewaarden we wel nog even binnen, want je kunt je tegen alles verzekeren, behalve tegen vandalisme en eigen risico! Wees gewaarschuwd, ook tegen verzekeringen!
Het gaf een druk verkeer naar de voordeur van iedereen die ons post wilde bezorgen deze maand. Voor de gezelligheid en omdat het tóch kerstmis zou worden, knoopte ik een supergrote rode kerstbal aan de boog boven het hekje. Maar die moest er van mijn man weer af, om niet onnodig de aandacht van de vuurwerkjongens te trekken. Lospeuteren dus en verhuizen naar de achtertuin.
Daar trof ik een reiger, in gedachten verzonken, maar nog niet in de vijver, en tegen alle kerstgedachten in joeg ik hem weg. Met lange bamboestokken had mijn man een strak ruitjespatroon over de vijver gelegd, omdat ik niet van netjes hou. Netjes over de vijver, bedoel ik. Maar de volgende dag stond de reiger óp de ruitjes, midden boven het water. Van mikado had hij nog nooit gehoord, want toen hij opvloog bewogen er wel zeven stokken! In de overtuiging dat dit bamboemiddel werkte, legde mijn man de stokken weer recht. Maar toen we een dag later thuiskwamen met de kerstboodschappen, lagen ze wijd uit elkaar en op het water dreven vettige witte randjes: des reigers signatuur! “Ik zéi nog,” zei mijn man, maar ik was al op zoek naar een net. “Leg het er maar los overheen!”, want er was van alles te doen, die maand. Maar zo zijn we niet getrouwd en ik hou best van netjes. Vastprikken langs de kant, straktrekken en vastzetten aan de overkant. Dan springt het eerste stuk geheid weer los; er is van alles te doen in zo’n maand.
Maar nu is het januari en ik ben een gelukkig mens, met dagen die weer lengen en een nieuw seizoen voor de deur! Er is van alles te doen, de komende maand, in mijn ontwakende voorjaarstuin!

Januari 2009

dinsdag 30 december 2008

TUINFOTO'S 2008

TUINFOTO’S

JANUARI 2008

MEI 2008
JUNI 2008
Paeonia Sarah Bernhardt

JULI 2008
Vijver in de achtertuin

AUGUSTUS 2008
Kuipplantenhoekje

OKTOBER 2008
Berkenboleet - onder de berk

DECEMBER 2008
Pachysandra terminalis

maandag 15 december 2008

IN GEUREN EN KLEUREN

Heggenmussen

De kleur van de tuin in de winter is wit: van sneeuw en rijp, ijzel desnoods en mist. Een mooie kleur: van de onschuld. Goed voor romantische plaatjes en overpeinzingen bij de warme kachel. Maar er hangt verandering in de lucht. “Change,” zegt de nieuwe Amerikaanse president. De wintertuin is steeds vaker groen. Groen is de kleur van de hoop. Ik vind het geen slechte verandering. Waar zouden we zijn zonder hoop? En wat is een tuin zonder groen? Inderdaad: hopeloos!
GROEN ZIEN
Wie er oog voor heeft kan nu al, langs de weg in het ‘openbaar groen’, kleine groene rozetjes zien: van het fluitenkruid! De belofte, die zulke rozetjes inhouden! Dat geeft mij al genoeg hoop om de hele winter mee door te komen: de voorbereidingen voor de lente zijn getroffen!
Ook in eigen tuin is het groen te vinden. Het hoeven niet altijd grote struiken te zijn. Of gras, hoe groen dat ook is. Als ik trouwens nog een gazon zou hebben, ging ik nú naar buiten om her en der stroken gras uit te steken. Rechte stroken, golvende stroken. Breed, smal, kort of lang. Of misschien een labyrint, een doolhof, rond of in een vierkant. Maar dan zou ik de tuin van de buren erbij moeten hebben. “Ho ho ho!” zegt de kerstman.

Natuurlijk zou ik ervoor zorgen, dat de ruimte tussen de stroken zo breed is, dat de grasmaaier er gemakkelijk tussendoor kan. En dan komt het leukste: het beplanten van de ‘openingen’ in het gras met groenblijvers. Dat kan met één soort al heel levendig worden. Maar er kunnen ook planten gebruikt worden van verschillende hoogte en verschillende textuur. De kleur kan variëren van grijsgroen (Stachys, ezelsoor) tot zelfs een rode verkleuring (Bergenia, schoenlappersplant). Mooie contrasten zijn aan te brengen met de zwarte lintbladeren van Ophiopogon planiscapus ‘Nigrescens’ (sorry, heeft geen Nederlandse naam; wél mooie lila bloemtrosjes in de zomer).

Pachysandra terminalis
Probleemloos en echt altijd groen is Pachysandra terminalis, zo’n tien centimeter hoog. Ook hier is geen Nederlandse naam bekend. Het ‘terminalis’ duidt waarschijnlijk op de groeiwijze: de bladeren groeien in trossen aan de stengeltoppen, dus aan het ‘einde’ van de stengels. De witte bloempjes, vroeg in de zomer, zijn wel aardig, maar het gaat toch vooral om de glanzende, enigszins getande bladeren. Leuk in contrast met het eveneens glanzende, maar niervormige blad van Asarum europeum (mansoor), dat iets hoger wordt: vijftien centimeter. Niet iedereen weet dat Asarum bloeit en dat is ook niet zo verwonderlijk, want de bruine bloemetjes verschijnen in het voorjaar ónder het blad. Ze laten wel zaadjes achter, waarvan de zaailingen na verloop van tijd wel degelijk zichtbaar worden: ook Asarum is een goede bodembedekker. Wat luchtiger, met kleiner donkergroen blad, is Vinca (maagdenpalm). Vinca minor met kleine blaadjes, vijftien centimeter hoog, met witte of lavendelblauwe bloemen of Vinca major, blauwe bloemen en vijfenveertig centimeter hoog.

Asarum, mansoor
Stoer blad is te vinden bij Bergenia (schoenlappersplant), in verschillende tinten groen, waarvan sommige in de winter zelfs naar rood verkleuren.
Ter verrassing, vooral in een groot gazon, kan een strook beplant worden met een ‘gordijn’ van een hoge grassoort als Calamagrostis acutiflora ‘Karl Foerster’, een stevig gras, zo’n anderhalve meter hoog, dat ook in de winter overeind blijft. Maar ook alle Miscanthussoorten komen in aanmerking.
Niet alleen voor de tuineigenaar wordt zijn grasveldje zo interessanter, óók voor vogels en andere beestjes. En het grasmaaien in de zomer wordt een spannende uitdaging!
Wat jammer nou, dat ik geen gras meer heb. Gelukkig zijn de groenblijvende bodembedekkers ook heel goed toe te passen in een grasloze tuin. Iets minder spectaculair, maar niet minder mooi. Bovendien biedt zo’n tuin meer ruimte voor andere genoegens in de winter, zoals struiken met een geurtje.
GEUR IN DE WINTER
Veel winterbloeiende struiken verspreiden een sterkere geur en bloeien langer dan de zomerbloeiende. Voor hun voortplanting zijn ze afhankelijk van bestuivers en dat zijn vooral insecten. Daarvan zijn er niet zoveel in de winter en daarom is het belangrijk dat de geur vér draagt, om toch zoveel mogelijk insecten te lokken. Voor het menselijk reukorgaan zijn de geuren het best waar te nemen op een niet te winderige, zonnige dag, wanneer de geur blijft ‘hangen’. Aanraders zijn Viburnums bodnantense (sneeuwbal of Gelderse roos), een bladverliezende, maar rijkbloeiende heester met roze bloempjes van november tot het vroege voorjaar, tot drie meter hoog. Mahonia japonica (mahoniestruik) is wintergroen met in dezelfde periode lange trossen geurende gele bloemen, die gevolgd worden door paarsblauwe bessen. Ook drie meter hoog.

Bessen van Ophiopogon
Nog zo’n geurbrenger is de toverhazelaar, Hamamelis mollis bijvoorbeeld. Kan wel zes meter hoog worden, is bladverliezend, maar heeft sterk geurende bloemen. Afhankelijk van de soort van lichtgeel tot oranje. Met anderhalve meter blijven Sarcococca en Daphne misschien wat overzichtelijker.
Geurende klimmers zijn er ook voor de wintertuin. Bijvoorbeeld, van de kamperfoelies, Lonicera fragrantissima - dat kan niet missen!
Dit is nog maar een greepje uit de mogelijkheden. Sla er eens een boek op na, zoals ‘Tuinieren in de winter’ van Steven Bradley (uitg. Terra) of kijk op Internet. De tuin, de planten en de tuiniers zijn wel in rust, maar wie er zin in heeft kan nog volop aan de gang buiten - zolang het maar niet vriest.
De beloning is een gazon zoals je dat nergens ziet en zoete geuren, die je onmiddellijk aan de lente doen denken. Daar gaan we in het nieuwe jaar naar toe!
Maar voor het zover is, hoop ik voor iedereen, en vooral voor de mensen die eropuit moeten, op een groene kerst!

December 2008

woensdag 10 december 2008

SPUTTERS EN BADMUSSEN


In míjn tuin …
… hebben in de afgelopen decennia steeds meer vogelsoorten hun intrek, of beter: hun dóórtrek, genomen. Op het bouwrijp gemaakte weiland van toen pionierden we met koolmezen, maar met het toenemen van het groen in de nieuwe wijk nam ook de diversiteit in het vogelbestand toe. Elke nieuwe soort die zich aandiende beschouwde ik als een persoonlijk succes en compliment aan mijn tuin. Onzin natuurlijk: ze vlogen door het hele dorp, maar toch probeerde ik het succes vast te leggen, met mijn fototoestel. “Nee, die donkere vlek daar links, dát is de ransuil!”

Mereljong
Met de digitale camera van nu lukt het iets beter. Ik kan er van alles op instellen, maar helaas ben ikzelf niet meegedigitaliseerd en vind ik nog steeds dat “… dat ding het gewoon moet dóen!” Zéker als ik vanachter het slaapkamerraam ineens vier puttertjes in de berk zie zitten. Dat wil ik delen met het nageslacht en in de haast om het fototoestel op te halen val ik bijna van de trap. Met twee treden tegelijk ren ik weer naar boven, want vogels kunnen zomaar opvliegen en één sperwer is genoeg om ze voor een heel uur de bosjes in te jagen.
Hijgend sta ik voor het raam; gelukkig! ze zitten er nog! Daar heb ik ze voor de lens en ik druk af. In één flits zijn alle putters weg - en heb ik een foto gemaakt van flitslicht, spiegelend in het raam. Sufferd.

Maar deze is gelukt, min of meer!

Later zie ik vanuit hetzelfde raam een troepje mussen op het dak van de berging. In een achtergebleven plas badderen elf mussen op een rij: elf badmussen! Het is een lust voor het oog, maar ik gun me nauwelijks de tijd om te kijken en struikel over mijn eigen benen de trap af: foto maken! De flitser schakel ik uit en ik zoom alvast in. Gehaast druk ik af, foto na foto, maar ze zijn allemaal onscherp: de sluitertijd is langer en ik kan met één hand de camera niet stil houden. Met twee handen om het toestel buig ik uit het raam en rrrrt! alle badmussen weg!
Ik vertel mijn man van mijn pech. “Mussen? Goh, gisteren zaten daar putters, wel zeven!” Ik plof. Zéven badderende putters, zéven sputters! En daar wist ik niks van! Maar mijn man heeft genoten: geen gestruikel op de trap, geen geroep van “Kom eens kijken!”. En zo hoort het eigenlijk ook: stil genieten en ze niet verstoren, de ‘sputters’ en de ‘badmussen’, op doortrek in onze tuin!

December 2008

zaterdag 15 november 2008

APPELTJES VOOR DE DORST

Heggenmussen

De wintertijd is terug in het land, de ‘r’ al lang weer in de maand en het verkeer ondervindt hinder van de weersomstandigheden. Er wordt geniest, gesnoten en geslikt: een half alfabet aan vitaminepillen. Kom, mensen, wees verstandig! Plant een appel! Of een peer of een pruim en ook frambozen, kruisbessen en bramen. En wat er nog meer aan eenvoudig in de tuin te kweken lekkers is! Deze tijd van het jaar is het meest geschikt voor nieuwe aanplant, nu bomen en struiken hun blad hebben laten vallen en ‘in rust’ zijn. Dan zijn ze alvast goed aangeslagen als straks het nieuwe groeiseizoen begint.

Appelbloesem 'Groninger Kroon'
CADEAUTJE
Eigenlijk zou iedere tuin een appel- of perenboom moeten hebben. In het voorjaar kunnen ze wedijveren met de meest chique (sier)prunus, als het gaat om geurige bloesem. In de maanden daarna zie je de kleine groene vruchtjes uitgroeien tot échte peren en appels die rood kleuren in de zon.
Je geeft wat mest en regelmatig een gieter water. Gif komt er niet aan te pas. En het fruit mag rijpen áán de boom: dat próef je! Onderschat ook niet het plezier dat je beleeft aan eten uit je eigen tuin. Het is een cadeautje en je bent er nog trots op óók.
MIJN KEUZE
Voor alle fruitbomen geldt dat het verstandig is om advies te vragen aan de kweker. Want er zijn nogal wat soorten, mogelijkheden en ‘moeilijkheidsgraden’. Kies je rechttoe rechtaan voor een zelfbestuivende boom of wordt het een kunstig geleid palmet tegen de muur, om maar eens wat te noemen.
Omdat je geen appels met peren kunt vergelijken, zal ik mij in dit artikel beperken tot appels, waar ik ervaring mee heb.

Een echte Groninger Kroon
Ik heb het mijzelf gemakkelijk gemaakt met een halfstam appel, Groninger Kroon, op onderstam MM106. Volgens Fred Lorsheijd, in ‘Het Appel- en Perenboek’, een productieve boom. Dit ras is zelfbestuivend, in vaktaal: zelffertiel, wat betekent dat je aan één boom genoeg hebt. De meeste fruitbomen zijn voor bestuiving aangewezen op andersoortige collega’s die in dezelfde periode bloeien en liefst niet verder weg staan dan op tien meter afstand. Bij de buren, bijvoorbeeld!
Over het algemeen prefereren fruitbomen een zonnige plek. En ze houden niet van natte voeten. De takken van pas aangeplante jonge bomen moeten worden uitgebogen, omdat horizontale takken de meeste vruchten geven. Hang er gewichtjes (stenen) aan, tot de horizontale stand gefixeerd is. Zorg later, bij het snoeien in de winter, voor zoveel mogelijk horizontaal groeiende takken en snoei recht omhoog groeiende takken weg.
Voor mijn halfstam appelboom moest ik rekening houden met een groeiruimte van zes tot acht meter voor zijn ‘kleine piramidale kroon met fijn hout’. Maar in de praktijk blijkt tijdens het snoeien dat je de omvang zo nodig kunt aanpassen. Dat heeft natuurlijk wel consequenties voor de opbrengst. Maar we zijn geen beroepstelers en dus is het ook niet erg dat die opbrengst per jaar kan verschillen. Appels, peren en pruimen zijn ‘beurtjaargevoelig’; het is ieder jaar afwachten hoeveel appeltaarten er gebakken kunnen worden!
Informeer ook naar de houdbaarheid van de oogst. Groninger Kroon is meestal eind september, begin oktober rijp (de appels laten dan gemakkelijk los) en zijn op een koele droge plek houdbaar tot februari. Dit is een stevige appel, fris zoetzuur en sappig met een prima vitamine C gehalte. Geschikt als handappel en als moesappel.
Ik maak er ook graag een simpel stamppotje mee. Breng geschilde aardappelen met wat zout aan de kook. Schil de appels, verwijder de klokhuizen en hang ze in een stoommand boven de aardappelen. Bak uien en stamp de gare aardappelen met een kluit boter en de appels. Roer de gebakken uien erdoor met lekker veel blokjes kaas: belegen, oud - brie mag ook.
RUIMTEBESPAREND
Wie geen ruimte heeft voor (meer) bomen kan tóch zelf appels en peren kweken. Zogenaamde leibomen geven tegen een zuidmuur een fantastisch resultaat, maar kunnen bijvoorbeeld ook dienen als afscheiding tussen buurtuinen.
Nog een mogelijkheid is een ‘familieboom’: een onderstam waarop twee of drie verschillende appelrassen geënt zijn, die elkaar ook onderling bestuiven.
CULTUUR
Een oud gewas als appels is ook omgeven door een eigen cultuur. Zo is de appel symbool voor vruchtbaarheid, voorspoed en verjonging.
Volgens een Zuid-Nederlands volksgebruik wordt het eerste badwater van een zuigeling aan de voet van een appelboom gegoten. De zuigeling zou daarvan blozende wangen moeten krijgen! Een ander gebruik in Zuid-Nederland, maar ook in West Sussex (Engeland) is het in de kerstnacht of oudejaarsnacht sláán van de appelboom om hem vruchtbaar te maken. Er zit een idee achter deze onvriendelijkheid! Voedingsstoffen zoeken hun weg door de teeltweefsellaag, vlak onder de bast van de boom, de boomschors. Soms is die bast zo strak, dat de doorstroming van de voedingsstoffen erdoor wordt belemmerd. Door het slaan wordt de bast verzacht en gespleten, waarna er ook schors rond de spleten groeit en zo ontstaat er meer ruimte voor de voedingsstoffen. Hm, dan hoeven we ons dus geen zorgen te maken over lange krassen van kattennagels in de bast van bomen!
Wél zo leuk is het Engelse (kerst)gebruik om te drinken op de appelboom met een brouwsel van warm bier, nootmuskaat en suiker in een met linten versierde houten kom, waarbij toast gegeten wordt met geroosterde wilde appels. Er wordt natuurlijk ook bij gezongen (“… God send us a good howling crop …”) en het eindigt in een kakofonisch gehuil: om de appelboom wakker te maken!

Appeltjes voor de dorst ...

Ieder volk zijn eigen cultuur. Wij Nederlanders ‘bewaren een appeltje voor de dorst’, de Engelsen eten hem liever meteen op: ‘an apple a day keeps the doctor away’! (Een appel per dag houdt de dokter weg, waar Churchill overigens ooit aan toevoegde: als je goed mikt!)
In alle gevallen moet je ze wél hebben, natuurlijk. Fruit in eigen tuin: van harte aanbevolen!

November 2008

maandag 10 november 2008

HERFSTBUI

In míjn tuin …
 
… tolt de windhaan, op zijn ene poot. Hij stopt bij Noord en draait wat wrikkig terug naar West. Harde regendruppels ketsen op het water van de vijver voor ze alsnog kopje onder gaan. De goudvissen maakt het allemaal niet uit; die denken dat de hele wereld van water is. Onder het takkenhoopje, waar de kleurige herfstbladeren overheen gekieperd zijn, proberen kikkers hun winterslaap te vatten. Hinderlijk klettert de regen op het bladerdek.
De blote takken van de krent doen verwoede pogingen die van de prunus, dit jaar alwéér dichterbij gekomen, op de vingers te tikken. De wind giert door hun kruinen. Met een zijdelingse vlaag waaien druppels in het vogelvoer. “Hier! Hier!” roepen de zaadjes, want ze willen niet gegeten worden, maar kiemen en uitgroeien, desnoods in het voerbakje, tot metershoge zonnebloemen, dikke pollen gras en stevige oranje wortels.
Vogels houden niet van harde wind en regen. Ze schuilen in de goot, onder de dakpannen, en achter druipende klimopblaadjes; hopelijk blijven er straks wat plassen staan, om lekker in te badderen.
Het diamantgras buigt gevaarlijk naar de grond door dezelfde eigenschap waarom dit gras zo geprezen wordt: druppels blijven eraan hangen. Een laatste roos, met tranen op de roze wangen, houdt zich vast aan het uiteinde van een rozentak, terwijl de wind de tere blaadjes schuurt. Er slijmt een naaktslak over het pad - met welke kracht wordt hij geraakt door de hoog uit de lucht vallende regendruppels? Het lijkt hem niet te deren.
De wind solt met de dahlia’s en schudt de oorwurmen eruit.
Door de regenpijp raast het water slurpend en gorgelend naar beneden; het klatert in de regenton tot die helemaal vol is. Dan sijpelt het bij de te ruime aansluiting op de pijp naar buiten, langs de ton, en lekt de grond in, naar de wortels van de roos.

plassen op de oprit ...
De plassen op de oprit vloeien samen tot stroompjes en nemen achtergebleven berkenzaadjes mee tot het hoopjes zijn, die het water de weg versperren. Daar is de postbode, met regenjack en natte haren. Ze heeft geen tijd om de bui af te wachten en met een snelle handbeweging verdwijnen de brieven in de bus. We zwaaien en ik wacht tot het ophoudt met regenen.
Voorzichtig stap ik buiten over de plassen. De zon breekt door, de wind is gaan liggen. Toch is de berk nog niet klaar met de regen: koude druppels vallen in mijn nek.
Maar ik geníet, nu de herfstgeur zich losmaakt, in mijn fonkelende, diamanten tuin!

Opgedragen aan Henk Gerritsen, eigenaar van de Prionatuinen en gezaghebbend groenauteur, die op 6 november 2008 is overleden.

November 2008